Stof, swarte ierde, sinne, rein en wyn.
De weg (Wino)
Als je alles aan je partner
over laat weet jezelf niet wat
je allemaal tegen kunt
komen. En ik had helemaal
niks gepland. Ik wist niet hoe
lang we elke dag zouden
lopen, wist niet waar we zouden overnachten, wist niet hoe we aan
eten kwamen. Niets wist ik. O ja, iets wist ik wel. De Camino (want
dat is de Spaanse benaming voor de Weg, verloopt door vrij vlak
gebied met zo nu en dan een
heuveltje.
Maar zelfs dat beetje wat ik wist
was ook nog fout. Onze weg bleek
over zeer heuvelachtig terrein te
gaan. Met zo nu en dan een vlak
stuk. En heuvel op met een zware
rugzak om mee te sjouwen gaat
echt een stuk langzamer dan bergaf
of over vlakke wegen.
Razendsnel vonden
we de juiste manier
de heuvel over te
komen. Slow down.
Tempo omlaag en
niet teveel kletsen.
En maar stappen,
elke stap brengt je
een stukje dichterbij
Santiago de
Compostela. En
boven op de heuvel
ging het tempo al
direct weer omhoog. We hoefden niet eerst te happen naar adem.
Eerlijkheid gebied mij om toe te geven dat we toch meer dan eens
een pauze hebben ingelast op onze weg naar de volgende
heuveltop.
Zoals gewoonlijk lopen Jacobswegen
lang gebaande paden. Dat was ook zo
met deze wandeling. Het was een oude
Romeinse weg, de Romeinse weg XIX. De weg straalde gewoond
oudheid uit, twee duizend jaar oud en nog steeds begaanbaar. En bij
elke oversteek over een rivier, een beekje of een sloot was er wel
een brug om op de foto te zetten. Meer dan eens gingen mijn
gedachten op hol naar het verleden en zag ik een honderdman (de
Centurio) met zijn Cohort (6 Centurio (een groep van 80 soldaten))
de brug over steken.
Soms was het raadzaam, vooral bij afdalingen, van onze
wandelstokken gebruik te maken. De knieën kunnen dan wat ontlast
worden. De druk van de rugzak is een stuk groter dan bij vlakke
wegen of bergop. Bergaf ben je soms blij dat je je staande kunt
houden.
De weg zoeken was niet nodig. De reisgids,
een Duits exemplaar, was niet echt nodig
om op de Camino te blijven. Overal kon je
die pijlen zien en wist je waar je heen moest.
Soms klein maar vaak duidelijk aanwezig.
Fout lopen was onmogelijk. Behalve voor
ons. Soms ben je teveel met jezelf of met
iets anders bezig. En als dat gebeurt in een
dorp dan is er altijd wel een vriendelijke
dorpeling die je duidelijk maakt dat je een
kluns bent. En daar hoef je geen woord
Spaans voor te kunnen spreken. (of
Portugees natuurlijk)
Eenmaal in Galicië werd de wegmarkering
anders. Nu konden we genieten van
betonnen paaltjes met daarop de pijl die ons
de richting aangaf. En nog wat extra’s. Op de
paaltjes stond ook de afstand aan gegeven
die nog moest worden afgelegd tot de
kathedraal van Santiago de Compostela. De
eerste paar paaltjes waren leuk. Nog
121,475 kilometer. En weer een, 120,980
kilometer. En weer eentje, nog 118,730
kilometer. Leuk veranderde snel in wrevel.
Stomme paaltjes.
Mijn Camino