Alles wat je thuis laat is mooi meegenomen
Dag 10 - Van Portela naar Padron (36 km)
Natuurlijk slecht geslapen. Ik had toch wel wat veel pilsjes gedronken gisteren. Al vroeg begonnen de
Italianen te rommelen en lawaai te maken op de slaapzaal, die nog geel in het duister gehuld was.
Geen probleem voor de twee mannen. Hun hoofdlampjes schenen me regelmatig in de ogen. De
Russin die boven me sliep was blijkbaar iets kwijt. Zelfs onder mijn bed werd gezocht. Tevergeefs. Ook
de Russinnen verlieten in de duisternis de slaapzaal.
May en ik behoren tot de laatsten die uit de slaapzaal vertrekken. Inpakken van de rugzak is een
standaard procedure geworden. Ook het innemen van mijn pillen is gewoontewerk. Daarvoor heb ik
altijd een fles water tot mijn beschikking. Het elektrische spul wat ik bij me heb (opladers en
stekkerdoos) verdwijnt standaard in de camelbag ruimte. Ook extra waterflessen vinden daar een
plekje.
Gisteravond had ik gewassen en op het einde van de avond had ik de was binnen gehaald. De sokken
zijn nog niet droog, dus die moeten in de speciale zakjes aan de rugzak gehangen worden. May doet
het anders. Haar sokken bungelen steeds aan klemmetjes die ze aan haar rugzak bevestigt. May
geeft te kennen dat de pijn aan haar teen absoluut niet over is. Ze had weer een aantal pijnstillers
genomen. Oei, als dat maar goed gaat !
In de keuken van de herberg staat een overvloed aan eten voor
ons klaar. We moeten het natuurlijk wel zelf klaar maken. Het
Spaanse gezin is ook aan
het ontbijten. Tegen een
muur hangt een heel groot
bord, vol gekliederd met
teksten, achtergelaten door
pelgrims. Ik kan het niet
nalaten ook wat proza aan
de wand toe te voegen En voor mijn vriend Richard en zijn
vrouw, die een maand later dezelfde route gaan lopen schrijf ik
nog een extra krabbels. In morse tekens.
Helmut Jansen, de Duitser uit Kevelaar omhelst me toen we vertrokken uit de herberg. Ik heb hem mijn
web adres gegeven zodat hij mijn adres kan vinden. Bij het vertrek maak ik nog een foto van de
gemiste Camino aanduiding op het asfalt voor de herberg. Nog maar 56 kilometer tot Santiago. Ons
tempo is normaal. Komt dat door de pijnstillers die May had geslikt?
Een pelgrim, een meisje, is bezig stenen te plaatsen op een
kilometerpaal. Ik zie dat ze een papier onder een steen schuift
Nieuwsgierig als ik ben stap ik op haar toe en vraag wat ze aan
het doen is. Ze heeft een bericht geschreven voor een paar
pelgrims waarmee ze gisteren een poos samen had gelopen. Ze
wist dat die pelgrims ook vandaag hier langs komen. Ze heeft
het bedankje ondertekent met haar naam. Marta. Ik vertel haar
dat ik ook een dochter heb met dezelfde naam. Wat ik haar niet
vertel is dat mijn dochter haast 25 jaar geleden is overleden.
Is dat rare gevoel dat ik krijg soms het Caminogevoel?
Het weer is aan het veranderen. Al een paar dagen was regen
voorspeld, maar die regen kwam maar niet. Nu ziet het er nog
dreigender uit. May geeft aan dat ze graag alleen wil lopen. Ze
kan dan beter zien waar ze haar voeten neer moet zetten. Als ik
naast haar loop heeft ze minder keuzemogelijkheden. Natuurlijk
geef ik gehoor aan haar wens. May heeft duidelijk pijn aan haar
rechtervoet. Dat had ik al vanmorgen gezien bij het vertrek.
Inpakken van de pinlijke teen was verkeerd gelopen. Er had zich
veel vocht in de teen verzameld. We lopen nog steeds op de Via
Romana XIX.
May kiest nu duidelijk een andere weg dan ik. Als ze kan kiezen kiest May steeds de asfaltweg. Maar
vaak is er geen keuze, en maken de Koppelstones in de weg het lopen extra moeilijk. Maar May blijft
stug doorlopen, soms, als het een vlakke weg is, ook nog een paar passen harder dan ik. Als ik wat
achterblijf door het maken van een foto word het haast onmogelijk haar weer in te halen. Wat een
kanjer van een vrouw.
Soms loopt May zo hard dat we de veel jongere Marta voorbij
lopen. De sokken bengelen weer aan haar rugzak om te drogen.
Een verbodsbord houd haar niet tegen om op de XIX te blijven,
ook al zijn het reuze klinkers. Bij een watertappunt wordt halt
gehouden om even een pijnstiller in te nemen. Aan de weg waar
we lopen wordt gewerkt.
Marta loopt ons nu weer
voorbij. Zo gaat dat op de
Camino.
De betonnen graanschuur
die we zien is weer voorzien van een kruis en een spits. Waarom
het twee verschillende versieringen zijn is me nog steeds niet
duidelijk. Een mevrouw vervoert een paar schapen over de
straat. Niet zo massaal als in Nederland wanneer daar een
schaapherder een kudde over de straat verplaatst. Slechts drie
schapen voert ze mee. Maar deze mevrouw vervoert ook nog
een paard. Uniek tafereel.
We komen een bar tegen en duiken daar naar binnen. Even later duikt ook Marta hier naar binnen.
Onze pelgrimspas wordt weer aangevuld met een extra stempel. Deze keer krijgen we ook nog een
klein gebakje bij de koffie.
De draperieën aan de muur maken duidelijk dat deze bar vaker door pelgrims wordt bezocht. Aan de
muur hangen wat vreemde voorwerpen. Een lokale traditie? Na de rust in de bar wandelen we weer
verder. Deze keer passeert een vrouw met een geit ons. En weer even later lopen we een wasplaats
voorbij. Tegenover de wasplaats is een privé herberg duidelijk herkennbaar. Mooie taferelen.
De weg blijft mooi. We hebben nog 47 km te gaan tot Santiago. Elke meter stappen is een genoegen
voor mij. Na zoveel dagen voel je niet meer dat je ook nog een
paar kilo’s meesleept op je rug. De wijnstokken blijven voor mij
kale takken die ons pad een historiesche aanblik geven. Alsof je
op weg bent naar Stonehenge in Engeland.
De kerk in Portas Vilanovina en de
daarnaast liggende begraafplaats is weer
een foto waard. Helaas is de oude kerk niet
open. G#@rd@.. Een gebouw reflecteert
het gebouw aan de overkant van de straat.
Dit beeld past niet bij de Stonehenge
ervaring van zojuist.. Maar ja, ook dat is de
weg naar Santiago. Het gemeentehuis van Portas is weer goed voor een
stempel. Ik zie een aantal arbeiders bezig de brug over de rivier op te knappen.
Zouden die werklieden even hard werken als die bij ons in Nederland?
Een andere kerk in de stad houdt ook de deur gesloten voor ons. Het was wel
een mooie deur. Een mevrouw staat bij een aftappunt flessen te vullen. Is het
dan toch echt drinkwaterwat uit die aftappunten komt? Op een paaltje heeft een pelgrim een schoen
achtergelaten. Hij of zij zag de 44 kilometer naar het einde zeker niet meer zitten.
De weg, of beter de Camino is weer geweldig. Bloemen genoeg langs de weg. Of is het misschien
onkruid.? Ik geniet er in elk geval van. We duiken onder de hoge brug van de autoweg door en blijven
op de fijne landelijke weg. De steile zijkant van ons pad laten we langs ons doorschieten. De Galicia
kilometerpaaltjes zijn frustrerend. Het is kwart voor een in de
namiddag en het is nog veertig kilometer tot Santiago.
Verhipt. Voor ons zien we weer een pelgrim, nu samen met de drie
Russinnen. Die meiden blijven ons pad kruisen. Met de mobieltjes
van de meiden maak ik wat foto’s voor hun. En natuurlijk een foto
voor mezelf.
Na het passeren van alweer wat mooie objecten zien we een bar.
Heerlijk effe uitblazen bij een biertje en een fruitdrankje. Deze keer
krijgen we als extraatje elk twee gevulde halve eieren. Stevig
pelgrimsvoedsel. Die van May mag ik ook verorberen. We zij niet
de enigen in de bar. Meer pelgrims zijn daar neergestreken
waaronder een Duitse jongeman met zijn moeder.
Het lijkt wel alsof we in een cirkel lopen. Alweer een graanschuur
langs de weg. Zijn we daar soms al eerder geweest? En weer
een graanschuur, nu een gekleurd exemplaar. De weg voert ons
een stukje langs een drukke N550, maar even later kunnen we
weer in alle rust genieten van het stappen op weg naar de
kathedraal van Santaigo de Compostela.
De aanzwijzingen langs de weg blijven me vebazen. Verkeerd lopen is onmogelijk. Of toch wel? We
strijken even neer bij een openluchtmuseum. Museo Labrego Het is een zelfbediening toko. Toch maar
weer verder, een stukje langs de autoweg En een uurtje later langs een begraafplaats.
Intussen is er weer wat geks gebeurd. Bij het oversteken van een brug, een kwartier geleden zagen we
Helmut weer. Hij zat uit te rusten op een bankje bij de brug. Het
leek wel alsof hij op ons zat te wachten. Helmut stapt nu met ons
mee. We zijn nu met z’n drieën. Helmut heeft ons weten over te
halen met hem mee te gaan. om in het klooster van Hebron te
overnachten. Dat ligt wel een stuk van de normale route af. May
is, ondanks haar zere teen, toch akkoord met de extra zes
kilometers naar het klooster. Vannacht kunnen we dus in een
klooster slapen.
In Casa Chaves wordt een
pauze ingelast. Daar zijn we
door Helmut voor het
nageslacht vereeuwigd. In deze bar geniet ik van Estrella Galicia,
dat bier smaakt ook heerlijk.
Om twintig over vier verlaten we de normale route en kiezen de
weg naar het klooster van Hebron. De wegwijzers naar het
klooster zijn nauwelijk te vinden Soms zijn ze nagenoeg
onzichtbaar. Maar waar is het klooster? We worden een paadje in
gestuurd, maar zien onze weg versperd door een vijver. Dan maar
om de vijver heen.
Het klooster ligt aan de andere kant van de vijver. Nu is het
probleem de ingang van het ommuurde klooster te vinden. Maar
ook dat lukt en om vijf uur staan we aan de ingang van het
klooster. Er hangt een bel aan de muur met daaronder een bordje.
Gelieve NIET te bellen. Dan maar het oproepsysteem gebruiken
dat in de deur van het klooster is aangebracht. Pas na een aantal
keren het oproepknopje bediend te hebben klinkt een
vrouwenstem uit een luispreker.
Hé wacht even, klooster Hebron is toch een mannenklooster. Helmut ,die vloeiend Spaans spreekt,
(gelukkig) krijgt te horen dat we niet welkom zijn. “Het klooster gaat pas op 20 april de deuren openen
voor pelgrims” vertelt de vrouwenstem. En daarna blijft het stil. De kloosterdeur gaat dus niet voor ons
open. Geen klooster slaapplaats voor vermoeide pelgrims. Dat betekent dat we een ander onderdak
voor de nacht moeten zien te vinden.
Dat betekent natuurlijk ook weer extra kilometers voor de pijnlijke teen van May.
Anderhalf uur later, het is intussen zes uur, arriveren we in Padron. Een bord
wijst ons de weg naar een privé herberg, en een paar minuten later worden we
ingeschreven in het register van auberge Corridorias, een bunk hotel zoals op
een muurplaat te lezen is. Dertien Euro per persoon, maar dan heb je ook wel
wat.
Auberge Corridorias blijkt een luxe hotel, vergeleken met alle andere
overnachtingsplaatsen. Er zijn zelfs kluisjes voor iederen, groot genoeg om daar
de rugzakken in op te bergen. En de bedden zijn heerlijk, met een eigen
verlichting en stopkontacten. En echte lakens en een echt kussen. Zelfs de
douche is luxe te noemen. Geen bad, maar wel een douche voor iedere gast
van de aubergue.
Na de inschrijving gaan we Padron in om wat eten te kopen voor onze avondmaaltijd. In ons hotel is
alle apparatuur aanwezig om elke soort maaltijd klaar te stomen. Toch een raar idee dat de herbergier,
na het inschrijven van ons in het register, verdwijnt. Helmut, May en ik zijn de enige gasten van het
bunkhotel. In alle rust genieten we van ons eten, bier en wijn. En daarna heerlijk douchen en onder de
lakens duiken. Wat wil een pelgrim nog meer! Klooster Hebron was vergeten.
Het licht ging vanzelf uit. Om tien uur zoals op bordjes te lezen stond. Zou de herbergier ons in de
gaten hebben gehouden via de camera’s die in de verblijfsruimte hingen?
Geen snurkers en geen lawaaimakers in de slaapzaal. Wat kan je als pelgrim nog meer wensen. Waren
maar alle herbergen van deze kwaliteit. De ‘omweg’ via klooster Hebron betekende wel 12 kilometer
extra vandaag zodat de teller nu 223 kilometers afgelegde weg aangeeft.