Stof, swarte ierde, sinne, rein en wyn.
Wad 04 - Rondje Breda - Ulvenhout
Ha, daar is mijn vervoer. Klaar voor de Santiago aan het Wad wandeling van de regio Breda/Tilburg.
Deze keer een rondje van zo’n 20 kilometer. We zijn ruim op tijd voor het lekkere kopje koffie in
Brasserie NUL76. Het inschrijvingssysteem op de website heeft weer zijn best gedaan. We staan op
de lijst.
De Bollenstreek dame is er ook weer. Ik noem haar maar Fleur, dat schrijft makkelijker. Een voor een
druppelen de deelnemers binnen en drinken hun gratis koffie of thee. De groep is aangegroeid tot 24
personen als we vertrekken. Goed gewapend tegen de kou, want het vriest nog steeds.
Niet veel later zijn we al aangekomen op de stempelplek,
het Begijnhof van Breda. We lopen voor de kerk langs, en
later, op een soort achterafplaats, bellen we aan op
nummer 57. Daar wordt onze wandelpas afgestempeld
door een oudere dame. Elke stempel wordt met zorg op de
kaart gedrukt, en er wordt zelfs iets op de kaart
geschreven. Voor de vrouw liggen een paar
Jacobsschelpen, en ik zie geregeld dat een schelp van
eigenaar verandert. En dat gebeurt met gesloten beurs.
Als ik aan de beurt ben om de stempel van het Begijnhof
te ontvangen zijn de schelpen op. Shit, ik had graag zo’n
schelp gehad. Gelukkig voor mij hoor ik de stempeldame
tegen haar dochter zeggen dat ze nog wat Jacobsschelpen moet pakken. Ze schrift ook iets op mijn
stempelkaart. Even later krijg ik mijn schelp. Er zit al eenn gaatje in de schelp, en ik krijg ook een stukje
touw. Aan alles is gedacht. Ik berg alles op in mijn rugzak. Daar kijk ik vanavond wel verder naar.
Mijn dag kan niet meer stuk. Ik heb een Jacobsschelp. We gaan weer op weg, en lopen door het oude
deel van Breda. In de grote kerk van Breda krijgen we ook een stempel in onze pas gezet. Mijn kaart
begint al aardig vol te raken.
Je kunt aan de vloer van de kerk zien dat hier belangrijke
personen begraven liggen. Ik maak er maar een foto van,
want veel tijd om de kerk te bezichtigen is er niet.
Na een flinke poos in de vrieskou te hebben gelopen strijken
we neer in taveerne Jeugdland in Ulvenhout. Pauze, dus er
is tijd voor een kopje koffie. De waard probeert
worstenbroodjes te verkopen, hij leurt ermee aan elke tafel.
Regelmatig heeft hij succes, maar ik houd het maar bij mijn
boterhammen. De secretaris van de regio Breda geeft me
zijn email. adres Ik steek het vodje papier goed weg, want
beloofd is beloofd. Hij krijgt de foto’s die ik vandaag maak.
En hij mag ook de foto’s van de etappe Galder hebben.
Er bevindt zich ook een aristocratisch uitziende dame met zilvergrijs haar in het gezelschap. Ze heeft
een opvallend kledingstuk aan. Haar jas. Een lange bruine, voorzien van een boomschors patroon. En
de onderkant van de jas is, net als de mouwen, afgezet met bont. En natuurlijk bevat de bovenkant van
de jas ook bont.
Voordat we terug zijn in Breda aan het station wordt nogmaals een pauze ingelast. Het is een dure
“sjieke” toko, hotel Mastbos of “Heeren van Oranje”. We strijken neer bij een grote open haard.
Warmte gaf het ding niet want het is een nepper. Een groot TV scherm waarop een brandende haard te
zien is. In tegenstelling met de informatie op de site wordt onze consumptie betaald door de
organiserende afdeling. net als de drank in Ulvenhout. De worstenbroodjes waren wel voor eigen
rekening.
Fleur zit bij ons aan tafel en vertelt honderd uit over ene Maria. Over wie heeft ze het eigenlijk? Ik
vraag aan haar om Maria voor me aan te wijzen. Ze kijkt naar me op met een blik van “weet jij dat niet”
en brengt me op de hoogte...
Maria zit niet hier bij de warme haard. Maria is mijn vriendin die in het
Begijnhof jouw kaart heeft afgestempeld. Ze is een echte pelgrim. Ze heeft
veertien maanden geleden in Leiden een ruilhart gekregen. Toen ging het echter
mis en sindsdien verblijft ze in Leiden. Ik woon dichtbij, en breng haar vaak een
bezoekje. Ik vertelde Maria over de Santiago aan het Wad wandelingen. “Ik wil
graag, als ze in Breda wandelen, de stempel van het Begijnhof in de
pelgrimspas van de deelnemers zetten”, reageert Maria. “Wil je voor mij ook
wat schelpen uit Portugal meebrengen. Dan kan ik die daar uitdelen’”
Dat heb ik gedaan, en mijn man heeft er gaatjes in geboord. In elke schelp een.
En deze week is Maria voor het eerst sinds veertien maanden heel even thuis.
Ze is nog erg zwak, kan niet alleen de trap op. Maar ze wou per se erbij zijn in
het Begijnhof. En een Jacobsschelp moet je niet kopen maar krijgen.
Ik besef dat ik vanmorgen iets speciaals in mijn rugzak heb gestoken. Iets wat
gekoesterd moet worden. Is dat besef een pelgrims-ervaring? Ik weet het niet.
Ik ben nog maar aan het oefenen, een pelgrim in spe. En intussen weet ik ook dat Fleur luistert naar
de naam Marijke.
De aristocrate loopt naast me als we weer op weg zijn naar Breda. Ik begin een gesprek met haar. Er
klinkt iets bekends door in haar stem. Iets zangerigs. Even later zingen we beiden in het Limburgs ‘Wie
sjoeën ós Limburg is, dat wit tog niëmes’.
Van haar hoor ik dat er morgen nog een Santiago aan het Wad estafette wordt gelopen. Van Ittervoort
naar Weert, georganiseerd door de Limburgse afdeling. Ik krijg zin om daaraan mee te doen. Ook
May voelt ervoor om haar pelgrimspas in Limburg te laten afstempelen.
Ik word netjes thuisgebracht door mijn Belgische vriend. We spreken af dat ik straks even bel om te
horen wat de plannen worden voor morgen. De schelp die ik in het Begijnhof gekregen heb is nog
intact. Gelukkig. Als die straks veilig aan mijn rugzak hangt, ben ik voor ingewijden herkenbaar als
pelgrim. Buen Camino.
Mijn pelgrimspas is vandaag wat voller geworden. De stempel van het Begijnhof is bijzonder; een
Jacobsschelp met daarin het silhouet van een begijntje. En voorzien van een handgeschreven tekst,
“Maria”.