Op zoek naar het boek Africa the Adventure, vond ik in de bibliotheek een ander boek van Attilio Gatti,
uitgegeven door Meulenhoff. Misschien is het verhaal dat ik vond, wel echt de eerste expeditie, echter
niet opgezet voor het maken van QSO's
Source: Mistiek Afrika, 1955, door Ton Schilling
From Tom-Toms in the Night & Black Mist, by Attilo Gatti
Bewerkt door Wino, PA0ABM
GEEN BLANKE MAGIE VOOR AFRIKA
Ons basiskamp lag op de rand van het eeuwiggroene, equatoriaal regenwoud, de oneindige oceaan
van groen, wier woeste, hemelhoge golven over geheel Centraal-Afrika spoelen, de hier en daar
verspreid liggende eilanden van menselijke beschaving voorbij rollen, verder, almaar verder, tot aan de
kusten van de Atlantische Oceaan toe.
Het hart van deze wildernis is tot op heden door geen mens beroerd;
duizenden vierkante kilometers duisternis en vochtigheid en
benauwenis en ondoordringbaarheid, geen mens heeft er zich ooit
binnen gewaagd, geen blanke, en geen pygmee-jager, want dat hart
is de taboezone van het Itoeri-, Kibali- en Epoeloe-oerbos. Een
uithoek van de aardbol, op de landkaarten met een schaal van I :
250.000 aangegeven als enkele kwadraat-centimeters van een
volkomen leeg wit, door cartografen met bureaucratische
koudbloedigheid gekwalificeerd met slechts een enkel woord:
ontoegankelijk.
Daar is een oerwereld, die sinds de scheppingsdagen onveranderd bleef. Wat er achter de hemelhoge,
duistergroene barrières te vinden is? Geen sterveling die het weet. Soms, hier of daar, waagt de mens
zich, in zijn honger naar humusgrond, wat dieper in die woestenij, ver is het niet, maar dan nog is het
voldoende om hem te confronteren met wezens, die hij als niet bestaanbaar achtte. Want nergens in
onze wereld is er de eeuwigheid zó eeuwig gebleven.
Men kan er dieren zien, die ook elders in Afrika voorkomen, maar hier zijn ze anders. Hier hebben zij
verkleinde proporties aangenomen: dwerg-antilopen, dwerg-buffels, dwerg-"nijlpaarden", dwerg-
olifanten, en de mensen zijn er dwergen. Of, hun grootte heeft er zich verdubbeld: reuzen-gorilla's,
reuzen-aardvarkens, reuzen-wildzwijnen. En andere diersoorten zijn elders reeds lang uitgestorven, hun
restanten worden in bepaalde gebieden van de wereld alleen nog aangetroffen in een stadium van
verstening, steenmonumenten uit het leven en door het leven uitgehouwen met de beitels van dood en
tijd: de gehoornde kameleon, het hylochoerus (wiens voorvaderen in het pliozaen in Europa en Azië
leefden), de Okwapi, deze wonderlijkste aller "levende versteningen", die zich nauwelijks onderscheidt
van de samotherium, de "voorwereldlijke" giraffe, die ongeveer 15 millioen jaar geleden daar leefde,
waar nu Griekenland is . . .
Daar - op de rand van die oerwereld, in de groene, kletsnatte schaduw van het bos, lag ons basiskamp.
En elke avond, in die begintijd, kwamen wij bij elkaar in onze radiotent en wij kregen direct, naar eigen
keus, contact met New York, met Parijs of Londen, San Francisco, Kaapstad, Malta, Caïro, met Cuba of
Manilla, Iowa of Rhodesia of Brazilië. . . wat en wie wij maar wilden. Urenlang zaten wij dan, niet meer
diep en eenzaam, in het hart van equatoriaal Afrika, maar praatten wij gezellig met een Ierse bankier,
een Indische student, een Chinese koopman. En zo was het, dat in die nachten de blanke magie de
sterrenluchten van Itoeri beheerste, - en roerloos gehurkt bij de vuren, in een dichte kring, ondergingen
Mamboeti-pygmeeën die magie.
Ons kamp stond op een grote, open plek aan de bosrand. Er stonden slechts drie bomen. Dat vertelde
ik reeds. In die bomen zat de antenne.
Nu was het zo, dat sinds de oudste tijden die openheid de meest bezochte voederplek was van vooral
kudden dwergolifanten en van dwerg-"nijlpaarden". De stammen van de drie bomen glommen als
gepolijst, zoveel generaties olifantjes en nijlpaardjes hadden zich er tegen geschuurd en geschurkt. Het
was spijtig voor ze, dat het juist die openheid moest zijn, die in verre omtrek de enige geschikte was om
het hele dorp van tenten, voorraad- en slaapschuren te bergen, waar ons basiskamp tot uitgroeide.
Spijtig - maar ze lieten zich er niet door afschrikken. Niet door de aanwezigheid van mensen, niet door
de vele voor hen ongetwijfeld onaangename luchtjes, niet door het lawaal van de aggregaten. Ze bleven
komen, zo opdringerig, dat wij ons kamp alleen nog konden beveiligen met een schrikdraad, die op 60
centimeter hoogte, langs glazen isolatoren op in de grond geslagen palen, rondom de hele openheid
spande.
Een speciale transformator zette de door het aggregaat geleverde 110 volt-stroom om in een
knetterende 450 volt en als men 's nachts per ongeluk tegen de onzichtbare draad optuinde, kreeg men
een stevige oplawaai, een vonkenregen barstte los en het knalde oorverdovend. Dodelijk was dat geval
niet. Ik heb het zelf aan den lijve ondervonden op een avond. Ik kwam alleen meters verderop tegen de
grond, duizelde van de dreun, maar zelfs mijn benen waren niet verbrand.
Ach. . . en wat heeft het in die eerste dagen gevonkenspetterd en geknald, en wat een tumult maakten
de dolgeschrokken dieren, die hals over kop weer rechtsomkeert maakten! . . .
Maar na de eerste week werd het al minder. Sporadisch nog maar kwamen er dieren een kijkje nemen.
We zagen in het schijnsel van de houtvuren hun ogen glanzen in de bosrand. En soms was er nog een
knal en een spetterende vonkenregen en de erbarmelijke schreeuw van een dodelijk geschrokken dier. .
. maar dat alles minderde. En op het laatst gebeurde er niets meer langs de schrikdraad. En . . .
Ja, natuurlijk. . . en toen werden wij zorgeloos en slordig met de draad.
Die ene avond bewees het. . .
Wij waren, laat me het zo kort en duidelijk mogelijk zeggen, verschrikkelijk zelfverzekerd en eerzuchtig
geworden door onze OQ5ZZ. We wisten, dat avond aan avond over de hele wereld duizenden naar ons
luisterden en tegen ons als een soort "Uebermenschen" opzagen, omdat wij daar in die eenzame,
woeste wildernis zaten, wat nogal erg op hun verbeelding werkte. De eerlijkheid gebiedt mij er bij te
zeggen, dat wij niet de minste moeite deden om hun teleur te stellen in hun atavistische voorstellingen. .
. integendeel: wij vertelden, met onverschillige stemmen waarin echter een klank van vermoeidheid en
de zenuwspanning van doorlopend op de hoede te moeten zijn tegen de gevaren van het bos, niet was
mis te verstaan, - over gifslangen, olifanten, luipaarden .. . wij maakten er complete programma's van:
een inleiding van mij over de gebeurtenissen van de dag, groeten aan alle familieleden en vrienden van
de expeditieleden, daarna zwaarmoedige liederen van onze dragers, een avontuurlijk verhaal van
Charlie, en dan een keur van onze beste, zelfopgenomen gramofoonplaten met wilde, primitieve
pygmeeënliederen met begeleiding van tamtams. . . ach, wat hebben we ons uitgesloofd voor al die
luisteraars in hun gerieflijke, stenen huizen met buiten in de nachthemel het gewarrel van lichtreclames
en de eeuwige gonzing van een millioen stemmen en auto-claxons. . . we hoorden ze zowat naar adem
snakken bij zoveel woeste romantiek, kersvers door de aether aangevoerd uit Itoeri!
En zo was het nu ook die avond, dat we ons gereed maakten voor een uitzending, die alle vorige in de
schaduw moest stellen. Prachtverhalen hadden we, prachtliederen, pracht tromgeroffel. Vijf werelddelen
wachtten op het in zo korte tijd bekend geworden signaal: "Hallo - hallo!!! Luisteraars waar ook ter
wereld. . . hier spreekt OQ5ZZ, de 10e Afrikaanse Gatti-expeditie, uit het hart van equatoriaal Afrika!"
Een magnifieke avond. Schoongewassen hemel. Geen storingen. Een duchtig na-gecontroleerd,
betrouwbaar apparaat. . . wij met onze verhalen, onze gramofoonplaten . . .
daar buiten de pygmeeën met hun tamtams. . . dat werd me wat!
"Allemaal klaar?" vroeg Charley, als elke keer weer zo opgewonden als een
kind.
"Ga je gang maar!" knikte ik.
En op dat ogenblik brak het helse tumult los. De pygmeeën stoven als een
opgeschrikte zwerm grauwe mussen uit elkaar. Overal gilden stemmen
opgewonden en beangst. Daar tussen door schetterde een oorverdovend
olifantengetrompetter. Gekraak en gestamp. . . Charley was
bewonderenswaardig: wel keek hij met zulke ogen naar me, en zijn vrije hand
tastte naar het geweer dat tegen de radio tafel stond, maar dwars door alle
tumult sprak hij in de microphoon:
"Hier is dan weer OQ5ZZ.. en ditmaal met een speciaal programma!! Hallo - hallo luisteraars, vrienden
over de hele wer...!"
En ik weet, dat maanden later nog, overal verspreid over de aardbol, honderden radio-amateurs
vergeefs te middernacht aan knoppen draaiden en zich afvroegen, waarom eigenlijk zo plotseling
OQ5ZZ uit de aether verdwenen was. . .
Mijn eerste gedachte en reactie waren: "De schrikdraad!!" - en opspringen, geweer grijpen, en weg! de
tent uit, midden in de daverende nacht. Natuurlijk! . . . de stroom was niet ingeschakeld! Ik vond de
handle, rukte die omlaag. . . het spetterde en knalde en toen helemaal niets meer. . . de draad moest
verbroken zijn. Kon niet anders, de olifanten waren reeds midden in ons dorp! Het maanlicht schiep een
bespookte wereld in de openheid. Het was een en al beweging en lawaai, geen mens kon er uit wijs. . .
Dáár! een zware kolos bewoog zich in de richting van de bomen. . . ik knalde in de lucht - repeteerde -
knalde- repeteerde - knalde. . . vier - vijf maal. . . Nog meer verwarring! En ginds zowaar alweer een
sproeiende vonkenregen en een knal, nerveus getrompetter of er een olifant werd gekeeld. . . uit de
radiotent raasden toringen, duizendvoudig verhevigd door de versterker. . . Dragers renden rond met
rokende flambouwen en opgeheven kapmessen, pygmeeën doken als ratten uit en in het duister met
hun wapens, schichtige lichtbundels uit batterijlampen joegen in het rond. . . weer vonkenregens,
machinegeweervuur uit de schrikdraad, galmende donderslagen uit de radiotent. . . wàt een feest was
dat!
En toen viel alle licht uit. Met één klap. De plotseling niet meer belaste motor van het aggregaat jankte
en gierde tot een sirenegeloei. . . er was, zomaar, een stom "nijl"-paardje over de verbindingskabel
gestruikeld.
Tien minuten later brandde het licht weer. En waren de dieren verdwenen. En onze zender en onze
ontvanger voorlopig onbruikbaar.
Die nacht kon ik de slaap niet vatten. Tenslotte kwam ik van het veldbed af. De nacht was kil en vochtig
en zwaar van geuren. De openheid lag in een vage, rosse schemer, want de wachtvuren brandden nog.
Over het oerbos lag het zilver van de maan. Daaronder waren spelonken van duisternis. In de
sterrenhemel gonsden de nachtgeluiden. Het gesuizel van miriaden bladertrossen. En dierengeluiden.
Hoe ver weg? Hoe dichtbij?
Dit was Afrika. . .
Een diep, warm gevoel van affectie doorstroomde mij. Ik opende en loot mijn handen en opende ze
weer, alsof ik iets wilde grijpen en ik keek omhoog naar de sterren en ademde diep de vochtige geuren
in . . .
Afrika. . . Afrika. . .
En opeens dacht ik er aan, wat ik eigenlijk in de laatste maanden van dit Afrika had gemaakt. Een
gekkenvertoning in een benauwde radiotent, alleen maar omdat ik mijn eigen stem zo graag gehoord
wilde hebben over de wereld. . . Praten en wauwelen en zweten. . . terwijl hier buiten de nacht ademde,
groots en geweldig en Afrikaans. . . .
Goed, zender en ontvanger zijn gerepareerd. Maar wij hebben ze niet meer gebruikt voor programma's
als tevoren. Daar zijn wij radicaal mee gestopt. De grote antenne werd uit de bomen gehaald. Die werd
vervangen door de korte en eenvoudiger antenne, waarmee wij, met gebruikmaking van een kristalletje,
het postkantoor van Iroemoe nog net konden bereiken. . . en dat was voldoende voor onze
werkzaamheden.
Afrika had afgerekend met de blanke magie. !
In ons hart.
En de nachtelijke hemel van Itoeri was weer tot rust gekomen.
Blanke magie
Het verhaal van OQ5ZZ