06. Triëste (I1)In 1382 kwam Triëst onder het gezag van Leopold III van Oostenrijk, hertog van Oostenrijk en behorend tot het geslacht van de Habsburgers. Daarna bleef Triëst meer dan vijf eeuwen onder het huis Habsburg. De stad behield wel een zekere bestuurlijke autonomie. In 1719 werd ze tot vrijhaven verklaard door de Habsburgse keizer Karel VI van het Heilige Roomse Rijk. Ten gevolge hiervan kwam Triëst tot bloei en werd ze een eeuw later de hoofdstad van het Habsburgse kroonland Küstenland,Na de Tweede Wereldoorlog eiste Tito, met de steun van de Sovjet-Unie, geheel Istrië en een groot deel van Friuli-Venezia Giulia voor Joegoslavië op (anders gezegd, het voorheen Oostenrijkse Küstenland). Het zuidelijk-Istrische deel van deze gebieden werd in meerderheid door Kroaten bewoond, het noordelijke in meerderheid door Slovenen. In de kustgebieden vormden Italianen de meerderheid. De stad Triëst en haar directe omgeving bleven echter een twistappel.Zo kwam dan de stad als uitvloeisel van de Vrede van Parijs (1947) als hoofdstad te liggen in de neutrale vrije zone Triëst. Dit gebied omvatte het noorden van Istrië vanaf de rivier de Mirna, het gebied gelegen tussen de Sloveense Karst en de Adriatische Zee. Hoewel het vrije gebied een eigen munteenheid, postzegels e.d. bezat, heeft het nooit werkelijk als onafhankelijke bestuurlijke eenheid bestaan. Het werd in de zone A (de stad Triëst en omringende dorpen) en de zone B (noordelijk Istrië) gesplitst. In zone A ontstond, met name door een opeenhoping van vluchtelingen, een heftig anti-Joegoslavische stemming. In zone B mochten Joegoslavische autoriteiten het gezag voorlopig waarnemen, maar in feite schakelden zij het bestuur gelijk met dat in overig Joegoslavië. In deze patstelling werd in 1954 besloten om zone A aan Italië, en zone B aan Joegoslavië toe te wijzen, maar de uiteindelijke bezegeling van deze opdeling vond pas in 1975 plaats in de Verdragen van Osimo. In 1955 en 1956 verlieten meer dan 20.000 inwoners van zone B, de helft van de bevolking aldaar, hun woonplaatsen en vertrokken ook zij naar Triëst. Tussen 1945 en 1990 was Triëst een door strenge grensbewaking omgeven enclave in Joegoslavisch gebied, en alleen noordwaarts via een smalle kuststrook verbonden met de rest van Italië.Zoals enkele tienduizenden Slovenen en Kroaten sinds de Italiaanse inlijving van de provincie Küstenland en de stad Triëst in 1918 naar Joegoslavië trokken, zo trokken tussen 1944 en 1957 ongeveer 200.000 Italianen uit Istrië en Dalmatië naar Italië. Reden hiervoor was de afkeer van het nieuwe communistische Joegoslavische regime.