Geschreven door Peter Casier, ON6TT   Land in zicht Vrijdag 6 maart 13h lokale tijd. "Clipperton op de radar, Clipperton op de radar", roept iemand vanop de brug. Iedereen laat vallen wat valt, en sprint naar de brug."Waar, waar?" "Hier zie je dat niet, die stipjes" "Die dingetjes hier? Bah, dat zijn golven, man" "Nee, nee niet waar, we zijn amper op een tiental mijl van Clipperton, en volgens Mike is dat het moment dat we Clipperton op het scherm moeten zien". "Maar die stippen komen en verdwijnen""Jamaar kun je niet zien dat die langzaam een cirkel beginnen te vormen? Dat is de landstrook. En die donkere vlek in het midden is de lagune!" In een paar minuten heeft de vervelende apathie plaats gemaakt voor een zenuwachtig heen en weer geloop. De verrekijkers gaan van hand tot hand, tot Mike -Lemonhead wordt hij genoemd, vanwege zijn lichtblonde haren- roept: "I can see it, I can see it" "Waar?" "Daar, op twee uur" In enkele minuten hebben zich een gans pak donkere stippen afgetekend. Het zijn de toppen van de palmbomen. De landstrook die amper een paar meter boven de zeespiegel uit rijst, is nog niet te zien. Het is alsof de bomen recht uit de zee rijzen. In het midden tekent zich de rots af. We zijn zo dicht bij het eiland gekomen dat we de indruk krijgen dat de palmbomen over de ganse horizon voor ons verspreid staan. Hier en daar zien we nu ook stukjes zand te voorschijn komen. "En kijk, ons welkomstkomitee, dolfijnen!" Zwarte en grijze dolfijnen komen langszij zwemmen en spelen hun 'ik wil in het boegwater zwemmen'-spelletje. Van ver zien we ze uit het water springen en in onze richting zwemmen. "Flipper, Flipper, faster than lightning", zingt Pete luidkeels, "Iiiie iiiie". Het zijn niet enkel de dolfijnen die ons komen begroeten. Af en doe zien we inderdaad een haaievin uit het water opduiken. Een enkele keer komt ook de typische kop van een hamerhaai tevoorschijn. In de Cousteau- reportage over Clipperton, herinner ik me de onderwaterbeelden van formaties van honderden hamerhaaien. "Kijk daar, een wittip-haaien", zegt Mike, "de gevaarlijkste". "Kijk eens naar het strand, hoe de wind het zand opblaast!" Naarmate we dichter bij het eiland komen verandert het diep donkerblauwe water in een fel groengeel. Het water is zo klaar dat we de donkere schimmen van de dolfijnen - of zijn het de haaien? - diep in het water zien. Het lichte kleur van het water is rustgevend en bemoedigend. Massa's zeevogels, sternen en boobies, komen rond ons vliegen. Ze zijn blijkbaar niet schuw van mensen, en gaan soms vlak naast je zweven. Als je je omdraait sta je dan ook in oog met een booby... Ontelbare vogels zijn aan het vissen. Ze duiken met ingetrokken vleugels het water in en komen pas minuten later een tiental meter verder boven water. Plons, de golven in, dan niks meer. en ploep, daar zijn ze weer, kopke boven. In bijna één vloeiende beweging komen ze boven water, en vliegen ze weg. Met of zonder spartelende vis in de bek. De dolfijnen, de duizenden zeevogels, ons eiland, alles lijkt zo vertrouwd en toch zo vreemd. Vertrouwd omdat we al zoveel foto's en filmmateriaal gezien hebben over Clipperton, maar toch is het in het 'echt' nog helemaal anders. Je hebt het geluid van krassende vogels, water dat klotst tegen de boot, het geraas van de golven die op het koraalrif breken, de vochtige hitte. En de zachte geur van land, midden in de oceaan. Alhoewel we nog op een paar honderd meter van het koraalrif verwijderd zijn, zien we duidelijk de golven op het rif stuk slaan. We hebben de indruk dat het allemaal niet zo erg is, maar Mike maakt er ons attent op dat we de golven van de rugzijde bekijken. "Trouwens, kijk daar eens, meer naar het zuiden, daar krijg je een goed gedacht hoe die golven eruitzien". Dicht bij de Clipperton rots, kijken we schuin op de golven, en kunnen we ook de branding aan de overkant van de landstrook zien. Golven slaan bulderend en kolkend in op het koraal. Het koraal zelf krijgen we niet te zien. Captain Mike steekt de sonarinstallatie aan. Met allerlei gekke kleurkombinaties kan hij de diepte onder en voor de boot pijlen. Een regelmatig geklik geeft de afstand tot de bodem weer. Hoe vinniger het geklik, hoe ondieper. Lemmonhead steekt zijn hoofd door het deurgat en kijkt om de hoek naar de beeldschermpjes. "Jezus, wat een massa vissen zitten er hier", roept hij uit, en wijst op de talrijke gele vlekjes die zich over het scherm bewegen. Maar Captain Mike let niet op vissen, hij zoekt een mogelijk gat in het koraalrif. Na een poosje roept hij naar buiten: "Dit is een goede plaats. Laat het anker los." Terwijl wij met zijn allen in de ban van de omgeving zijn geraakt, heeft de bemanning zijn taak niet vergeten. Als een gedrild leger doet elk zijn taak. Drie mannen laten het anker met een hard geratel in het water zakken. Biff en Big Bill zijn op het bovenste dek de sloepen aan het klaar maken. Als het anker grond raakt, trekt Captain Mike het vast in de grond en legt de motor af. Het is alsof plots, voor het eerst in zes dagen een vertrouwd geluid weg valt. Zonder motorlawaai horen we het geluid van het eiland. Het geluid van Clipperton. De wind fluit zachtjes in de touwen van de mast. Het water klotst tegen de boeg. De vogels krijsen. We horen de branding van de golven die op het rif slaan. "Oke, dit is het plan", zegt de kapitein, terwijl hij met een bijna belachelijke grote zonnehoed uit de stuurhut stapt, en zijn lippen met pommade insmeert, "Het is nu half drie in de namiddag, we zullen proberen te landen voor zonsondergang. Jullie...", en hij wijst ons aan, "brengen zoveel mogelijk materiaal uit de kajuiten en sorteren het een beetje op het achterdek. In de keuken vind je grote plastiek zakken. Steek al je persoonlijk materiaal in die zakken en kleef het dicht. Maak je klaar om te landen. Doe een lange broek aan, en een sweatshirt met lange mouwen. Dat zal je een beetje beschermen tegen de koraal, moest je uit de sloepen vallen bij de landing." Met een drukte van jewelste duikt iedereen de trap naar de kajuiten af. Er wordt druk gebabbeld. Hier en daar wordt er geroepen: "Kan me iemand helpen met die doos hier?" "Waar zei Mike dat de tape lag?" "Ik weet het niet, maar de plastiek zakken lagen in de keuken" De schelle stem van Kelly jaagt iedereen de keuken uit, en ze legt een paar pakken plastiek zakken in de galley. Met luid gestommel strompelt iedereen de trap op en af. Dozen wordt hand aan hand doorgegeven, zonder enige vorm van prioriteit of volgorde. In een mum van tijd is het ganse dek bezaaid met ons materiaal. Tafels, stoelen, masten, antennes, zenders, grote vuilnisemmers met kleinere onderdelen, zakken, valiezen, kamera's, tenten, kabels enzovoort, enzovoort. Arie en ik kijken mekaar aan. Hij schudt zijn hoofd. Arie is iemand die altijd heel methodisch en ordelijk te werk gaat. Deze wanorde hier moet als een hel zijn voor hem, maar hij zegt niks, en gaat zich klaar maken. In mijn kajuit trek ik een oude broek aan, en een grijze sweatshirt met lange mouwen. Uit een ouwe rommeldoos had ik thuis nog een paar stoffen basketschoenen gevonden. Wie had ooit gedacht dat die nog een voet op een verlaten eiland zouden zetten... Ik trek natuurlijk de veters door. Hopelijk brengt dit ons geen ongeluk. Mijn basebal-petje met de voorop de grote letters: 'FO0CI', onze amateur roepnaam eens we op Clipperton zijn, vervolledigt mijn 'landingstenue'. Ik smeer mijn gezicht in met zonnecreme, stift mijn lippen en breng al mijn materiaal bovendeks. De bemanning laat net één van de grote aluminium sloepen te water. Captain Mike springt erin en neemt een buitenboordmotor aan. In een paar minuten is alles klaar, trekt hij de motor in gang en vaart weg. Mike zit niet ín de boot, maar staat rechtop, terwijl hij op de motor leunt. Zo heeft hij blijkbaar een beter zicht. Hij vaart een paar keer rond de boot en komt opnieuw langszij de Spirit. "Ik ga de koraal van dichterbij bekijken. Biff, jij laat een tweede sloep te water, en maak ook de Zodiac klaar." En weg is hij. We volgen hem met de verrekijkers. Hij vaart naar het zuidpunt van het eiland, waar de branding het hoogst is, en volgt dan de kust voor ons tot aan het noorden. Af en toe mindert hij gas en gaat wat dichter bij de branding dobberen. Het lijkt of dit alles uren duurt. Alle expeditieleden staan zowat te springen om aan land te gaan. Maar de kapitein neemt zijn tijd. Hij weet dat de verantwoordelijkheid voor een veilige landing bij hem ligt en wil de beste weg door de branding vinden. Plotseling keert hij de sloep en vraagt dat de tweede skiff en de zodiac mee zouden komen. Eindeloos lang varen de boten heen en weer, heen en weer. Hier weer stoppen, en met elkaar babbelen, en gebaren maken, dan daar weer eens stoppen. Er komt geen eind aan. Plots trekt Mike een zwemvest aan, draait de boeg van de skiff richting eiland en vaart tussen de golven door het koraalrif en laat de sloep op het zand vastlopen. Het heeft amper een minuut geduurd... De eerste landing is geslaagd. Mike draait de sloep weer richting zee. Tussen twee golven in springt hij in de sloep en stuurt ze opnieuw door de branding heen. Hij heeft zich misrekend en een grote golf tilt de top van de sloep uit het water. De sloep gaat bijna vertikaal slaan. Onze harten kloppen in de keel. We horen de motor over haar toeren gaan, het schroef is uit het water getild. Maar de sloep is blijkbaar zo zwaar dat ze niet over kop gaat, en met luid gejuich komt Mike uit de golven te voorschijn. De drie boten komen langszij. Mike is kletsnat. "Het gaat er ruw aan toe, maar ik heb een gat in de koraal gevonden. Gelukkig is het hoogtij", zucht hij en neemt een blikje Cola aan van Kelly, "Goed wie gaat er eerst?" Pete en Vincent moeten maar eerst, vindt Jay. Pete heeft de landingsvergunning voor mekaar gekregen, en Vincent is de enige fransman aan boord. Clipperton is tenslotte een Frans eiland. Vincent trekt zich van die drukte niks aan. "ja, nee, euh, wat", mompelt hij. Die Vincent toch, altijd tegen zichzelf bezig. Lee, wiens haar al goed begint te groeien, en Christian stappen in de tweede aluminium sloep. Met de drie boten varen ze langzaam op de boeien af. De rubberboot blijft net buiten de koraal liggen. Eerst gaat de boot met Lee en Christian succesvol door de golven. Ze trekken de skiff op het strand, en gaan op de koraal staan. Christian doet Mike teken dat hij mag komen. Behoedzaam vaart Mike door de golven heen. Christian en Lee nemen de boot aan. Mike trekt de motor op, en springt uit de skiff. In het kalme water achter het rif stappen ook Pete en Vincent uit de boot. Met overdreven groteske gebaren loopt Pete op het eiland en springt met beide voeten tegelijk uit het water, keert zich om en zwaait breed naar de Spirit. Ook Vincent steekt vlugjes zijn hand op. De twee uitersten. Extraverte Pete, en ingetogen Vincent. Ook de volgende landingen verlopen vlekkeloos. Gestatig varen sloepen met expeditieleden en materiaal heen en weer. Nu is het de beurt aan Ron en ik. "Ik wil mijn voeten niet nat maken, denk eraan", veinst Ron, en trekt een gemaakt pruilmondje. De zee is kalm, alhoewel de wind behoorlijk sterk staat. Captain Mike stuurt de sloep in de richting van de boeien die onze vaargeul in de koraal markeren. We dobberen rustig naast de rubberboot, net buiten de branding. De golven die langzaam deinend onder ons door passeren, breken met een razend geweld op het rif. Plots roept Mike: "Nu" en hij zet zich schrap. Vol gas vliegen we tussen twee grote golven in, door de koraal, en voor we er erg in hebben, duiken Lee en Christian naast ons op. Ze grijpen de boot vast en trekken ons naar het land. Ze lopen op de koraal. Af en toe schieten ze in een put en gaan kopje onder. Enkel hun hoed blijft dan nog drijven. Een grappig gezicht. Ron vindt het ietsje minder leuk en slaakt een zucht van verlichting als hij in het kniediep water kan springen. Ik volg hem. Het water is warm. De bodem voelt steenachtig aan. Er is geen zand, enkel gladde koraal. We nemen het materiaal uit de boot en gaan aan land. Pete komt ons met groteske gebaren tegemoet. "Welkom op mijn eiland, ik ben de koning hier", zegt hij met zijn zeerobbenlachje. Jay, die met de vorige sloep aan land is gekomen staat met de handen in de heup rond te kijken. "Tien jaren, tien jaren heb ik van dit moment gedroomd, man. Dit is heavy stuff, man, heavy stuff". En ik zie de tranen in zijn ogen komen. We geven elkaar de hand. "We hebben het gedaan, Jay, we zijn erin geslaagd" Het 'strand' is maar enkele meters breed. Het is mul zand, waar je schoenen diep in weg zakken. Het maakt het lopen moeilijk. We klimmen op een kleine helling van een paar meters hoog, de landstrook op. Een vijftig meter verder zien we de donkergroene lagune liggen. Net als op de video. Dat is alles wat er is. Een smal strand, een helling met stuifzand, een strip land van vijftig meter breed en dan de lagune. De grond bestaat uit aaneengekoekt zand en koraalbrokken. De dichtste eenzame palmboom staat op een paar honderd meter, en er is niks dat ons uitzicht belemmert. We kunnen van hieruit de lagune en de volledige ringvormige landstrook, rond die lagune zien. Duizenden en duizenden vogels vliegen door de lucht. Er hangt een indringende ammoniakgeur van vogelpoep. Mijn maag keert eventjes. Clipperton. Eindelijk. "Aaaaaaarr, aaaaaaarr ,aaaa aaaarr" Vlak voor mijn voeten zit een booby op een kuiken. Ik had haar niet opgemerkt. Een grote witte vogel, met vervaarlijke gele bek. Ze maakt geen aanstalten om weg te vliegen. Onder de buikveren beweegt haar enig kuiken. Nu pas zie ik welke drukte er op de grond heerst. Tussen de honderden klapwiekende vogels lopen ontelbare oranje krabben. De befaamde Clipperton landkrabben. Eentje vindt mijn veter eetbaar en met korte rukjes trekt hij eraan met zijn grote scharen. Belgische schoenveters, een delicatesse blijkbaar. "Hey Peter, komaan, werk te doen", roept Jay. Ik loop de helling af. Ze ligt bezaaid met troep. Drijfhout, schoenen, boeien, blikjes, flessen. Dit zijn de tekenen van de menselijke beschaving, die op het eiland aangespoeld zijn. Wie weet van hoe ver die komen? Ik help Pete een generatorkist naar boven sleuren. Pas nu valt me het op hoe veel warmer het op het land als op de boot is, niettegenstaande de zon nu al laag boven de horizon staat. We vormen een ketting en geven elkaar het kleiner materiaal aan. "Laat ons niet op de sloepen wachten, en al een gedeelte van het materiaal naar de kampeerplaats bij de Bougainville dragen", stelt Jay voor. "Daar kom ik net vandaan", oppert Pete, "het is te doen, maar het is een fikse wandeling, waarschijnlijk twee of drie kilometer" "Ja maar we zullen proberen zoveel mogelijk materiaal ginder te krijgen, voor het donker wordt, anders moeten we de ganse nacht door werken", zucht Jay. "Weet je wat, daar komt net Capt'n Mike aan, laten we wachten wat die zegt", stelt Pete voor. Mike springt vlot uit de sloep. Nog meer materiaal. Uit een plastiek tasje haalt hij een kleine walkie talkie. "Het wordt te laat om nog meer materiaal te landen", zegt hij, "Mike en Charly zijn nog aan boord en komen vanavond niet meer aan land. Hier is een zender waarmee jullie met de Spirit in verbinding kunnen blijven. In de sloep zit wat drank en eten. De rest zal morgen vroeg moeten volgen", zegt hij op een toon die geen tegenstand dult. Hij geeft Christian en Lee, die nog in de branding staan, teken om de sloep te keren. "Tot morgen vroeg, bij het ochtengloren", roept Mike nog, terwijl hij de motor in gang trekt. Daar staan we dan. Met zijn zevenen op het smalle strand, temidden van zakken, pakken, koffers... Maar wat is nu aan land en wat niet? Arie en ik kijken elkaar aan. "Dit was te voorspellen", zucht Arie in het Nederlands, opdat de anderen het niet zouden verstaan, "we staan aan land en hebben geen idee wat waar is". Jay kijkt verbrouwereerd naar de walkietalkie die hij van Mike kreeg. Toch kan de teleurstelling van de abrupt afgebroken landing de stemming niet dempen.De indrukken zijn overwelmend. We zitten op ons eiland. Ons eiland. Inclusief wriemelende krabben en krijsende vogels. We zien de Spirit het anker lichten en zacht wiegend wegvaren. "See you tomorrow morning, boys", klinkt het uit de walkie-talkie, "we gaan ons verankeren op een paar kilometer uit het eiland. Dit was de Spirit, over en sluiten." "Tot morgen, Mike, bedankt voor alle hulp vandaag", zegt Jay in de zender. Terwijl de zon de horizon raakt klinkt de muziek van Enya door mijn hoofd. "Oke jongens, genoeg getalmd, laat ons beginnen te verhuizen", met een zucht staat Pete recht, "Elk neemt wat materiaal mee. Een tent en wat veldbedden." "En de koelbox met drank", smak ik, "ik zou wel een biertje lusten" "Eerst werken,", bekijft Jay, "ik neem wel wat stukken krabbenomheining en zaklampen mee". Elk neemt materiaal mee. Om het even wat. Zoveel mogelijk. De een wil niet onder doen voor de ander. We proberen op de landstrook te lopen, maar schieten tot de enkels door het verharde zand. Het is ondermijnd door de krabben. Weer iets wat Alain had gezegd. Stevig schoenen. Mijn basketbal schoenen hebben geen dikke zolen en elke oneffenheid doet pijn. Mijn sokken zijn nog nat en het zand erin schuurt mijn enkels open. We zakken af naar het strand en sleuren onze last mee. Elke honderd meter moeten we stoppen. Het valt tegen in dat mulle zand. De zon is bijna onder en in het schemerdonker struikelen we over het aangespoelde drijfhout. Langzamerhand naderen we Bougainville, het enige bosje palmbomen op het eiland. Op een open plek bij de bomen smijten we uitgeput alle materiaal neer en ploffen ons op de grond. In de palmbosjes kunnen we nog wat overblijfselen van de oude Franse nederzetting zien. Stukken hout, golfplaten en ijzeren pijpen liggen her en der verspreid rond onze kampplaats. Een donzen boobykuiken, zo'n vijftien centimeter groot staat dichtbij te slapen. De bek in de veren gedraaid. Af en toe heft het de kop op. Een kop met een te grote en lelijke grijze bek. De ammoniakgeur van de vogelpoep is indringend. "Eerst een pilsje", zeurt Ron nu ook. "Nee, eerst de tent, terwijl we nog wat licht hebben", beveelt Jay. Gelukkig staat de tent in een mum van tijd op. Jay heeft een stuk van zijn inmiddels befaamde krabbenomheining opgezet. We zetten ons op de veldbedden voor de tent, en trekken een paar pilsjes open. "Op een goede expeditie", zegt Jay. "En veertigduizend radioverbindingen", voeg ik er aan toe "Vergeet niet dat ik er zeker 39.000 van zal maken", grapt Pete. "Mmmm, 39.000", mompelt Vincent. Arie glimlacht. Met de zaklampen volgen we de krabben. De zon is onder en de hitte vermindert. Met zijn honderden tegelijk kruipen ze uit hun holen in het koraal, of krabbelen ze te voorschijn van achter kokosnoten en stukken wrakhout. Het is alsof ze onze aanwezigheid ruiken, en ze kruipen zijdelings onze richting uit. Tot aller jolijt slaagt er niet één in om over Jay's omheining te kruipen. Jay staat te springen van enthoesiasme. "Heb ik het niet gezegd? Het werkt, verdomme het werkt. Jullie kunnen allemaal de pot op, je kunt er toch niet over. De pot op! Kom maar hier als je kunt, hahaha!", daagt hij de krabben uit. In het licht van de zaklampen zien we dat bijna de ganse vlakte een oranje kleur heeft gekregen. "Shit, met zijn duizenden zijn ze", zegt Arie verbaasd. "De revanche van de krabben", roept Pete, en hij neuriet het thema van 'Jaws'. Na een uurtje is het plezier eraf. "Tijd om te gaan slapen, morgen wordt het een lange dag", mijmert Jay, en gaat op zijn veldbed zitten. "We hebben een bed tekort, maar ik slaap wel op de grond", zegt Pete stoer. Er is niet genoeg plaats in de tent. Ron en Vincent slapen buiten. Het is toch warm genoeg. Ik ga bij de ingang van de tent liggen. Het canvas van de legerveldbedden voelt hard aan. Mijn broek en schoenen zijn nog nat. "Hey Peter, remember: 39000 kontakten maak ik", fluistert Pete. "Dan maak ik er 50000, ventje", kaats ik terug en ga voor de ingang een sigaret roken. Arie, methodisch en plannend zoals altijd, is de enige die zijn slaapzak en kussen van op de landingsplaats heeft meegebracht. Ik bedenk me dat het eigenlijk de bedoeling was om alle materiaal van ginder naar het kamp te dragen. Maar ik durf dat niet meer voorstellen. Het is pikdonker buiten. De wind ruist in de palmbomen. De krabben maken een licht schurend lawaai terwijl ze met hun scharen de omheining aftasten. "Toch een goed gedacht, die krabbenomheining. Anders zaten we hier in de tent temidden van honderden krabben", bedenk ik me terwijl ik probeer een goeie houding te zoeken. Ik val in mijn eerste slaap, maar schrik een uurtje later weer wakker. Regen. Stortregen. Vincent en Ron stormen naar binnen. We herschikken de tent zo goed en zo kwaad als het gaat. De regen is zo vlug over als ze begonnen is. Rond middernacht geef ik het op. Ik kan niet meer slapen. De adrenaline pompt door mijn aderen. Clipperton. Hier zit de wereld van de radioamateurs op te wachten. Waarschijnlijk sturen Mike en Charly vanop de boot nu al het nieuws de ether in, dat een gedeelte van de expeditie aan land is, en dat we morgen van op het eiland in de lucht zullen zijn... Jay komt ook de tent uit. "Shit, ik kan niet slapen", zegt hij. "Jay, weet je wat we doen? We gaan naar de landingsplaats en halen daar onze slaapzakken en kussens op. Dan zijn we weer ietsje meer moe en kunnen we misschien dan slapen." "Ok, hier is een zaklamp, let's go" Ik trek mijn natte schoenen weer aan. Mijn vochtige broek spant rond mijn dijen. We lopen behoedzaam tussen de krabben en de boobies door. Sommige vogels heffen zelfs de kop niet op. We naderen de palmbomen die in een rijtje op de rand van het strand staan. "Ik hoor precies geplets, het begint weer te regenen denk ik", zeg Jay. "Dat moest er nog aan ontbreken", zucht ik. Terwijl we tussen de bomen door wandelen, voelen we de nattigheid op ons neerkomen. Het is gaan stortregenen. Het ruikt er sterk naar ammoniak. De regen voelt warm aan. Ik bekijk mijn armen in het licht van de zaklamp, en richt dan het licht op Jay's gezicht. "Het is helemaal geen regen. Het is vogelpoep, Jay", roep ik uit. Jay's gezicht zit onder de stront. Wit, geel, groen, alle kleuren. We zetten het gierend op een lopen, tot op het strand. "Kijk, die bomen zitten vol van de vogels", giert Jay, "'t was vogelpoep, vogelpoep, oh shit". "Ja oh shit, zeg dat wel", lach ik. De lange takken van de palmbomen buigen door onder het gewicht van de vogels. Met zijn honderden zitten ze er. En schijten maar. De boomstammen zijn er wit van. "Kom laat ons onze handen en het gezicht wassen in de zee", zegt Jay, terwijl hij proestend probeert te verhinderen dat de poep in zijn mond loopt. Een booby die op het strand rondkuierde schrikt op, en vliegt tegen Jay's wang. Jay heeft het niet zien aankomen, en schrikt zich halfdood. "What the fuck is happening, help" De vogel slaat zich los en vliegt verder. We wassen de meeste vogelpoep af, en strompelen richting landingsplaats. Het eiland ziet er spookachtig uit in het licht van de zaklampen. Ik ben blij dat Jay met me mee gaat. Het is toch maar een griezelig gevoel. Ik denk aan de vrouwen die hier door die vuurtorenwachter zijn verkracht, en al die moordpartijen... Ik ben niet bijgelovig, maar toch is het alsof ik tussen de geesten van de doden door wandel.. We zoeken onze slaapspullen van tussen alle rommel die nog netjes op de landstrook staat, en gaan terug in de richting van het kamp. Het kabbelend water, de zachte wind die de warmte van de zee in onze richting blaast, kalmeert ons. Mijn benen worden zwaar. Eens in de tent heb ik amper de tijd om mijn slaapzak open te spreiden of ik val pardoes in slaap. Bron: Foto's: Arie Nugteren (PA3DUU)  
Duiken Clipperton is, ondanks de haaien, toch een plek waar je kunt duiken. Maar om deze tak van sport op Clipperton te beoefenen heb je een flinke zak duiten nodig. Clipperton is ook een plek voor wetenschappers. Een paar foto’s op deze pagina’s komen van zo’n wetenschappelijke expeditie.
Het strand is maar enkele meters breed Maar wat is nu land en wat is geen land? What are we doing here in the middle of nothing? Clipperton-Krabben Johngarthia planatus, Foto: © Archief Debelius The Rock, the only uprise on the Island (archief Helmut Delebius)
Lees verder in hoofdstuk 6: De langste dag