Geschreven door Peter Casier, ON6TT   Clipperton, here we come 22 februari, ergens boven de Atlantische oceaan. De laatste dagen voor mijn vertrek waren, op zijn zachtst uitgedrukt, 'hectisch'. Op het werk werden allerlei lopende zaken gedelegeerd, de planning werd herzien, en daarbij kwamen nog een hoop vergaderingen,.. Journalisten belden me konstant op. Eentje wou zelfs een live interview in de radio-studio, twee uur voor mijn vliegtuig zou vertrekken. Ik had vriendelijk bedankt. Ik heb een "ik mis mijn vliegtuig"-fobie. Als ik geen twee uren voor mijn vertrek op de luchthaven ben, schiet ik in paniek. En toch, hoe goed ik me ook voorbereid, toch slaag ik er altijd in om mijn vliegtuig maar op het laatste nippertje te halen: of ik overslaap me, of het vliegtuig is overboekt, of er is file op de weg naar de luchthaven, of ik sta in de verkeerde rij aan te schuiven om te boarden... Eens in de lucht vloeit alle spanning uit me weg. Terwijl het vliegtuig hoger en hoger klimt, speelt het 'Concerto d'Aranjuez' in mijn koptelefoon. Het helblauwe van de oceaan gaat over in het wit van verre wolken, en hogerop verdwijnt het weer in blauwe van de lucht. Er is geen onderscheid tussen de kleuren van de lucht en de zee. We zouden net zo goed ondersteboven kunnen vliegen. De meeste expeditieleden wonen in Californië en Arizona. Mike komt uit de Midwest, Vincent, Arie en ik zijn de enige Europeanen. We hebben afgesproken tesamen te komen op 27 februari bij Jay thuis, in de omgeving van Los Angeles. Ik zal een week vroeger toekomen, omdat ik in Pasadena nog wat zaken heb te doen. Het geeft me tevens de tijd om wat tot rust te komen, en de omgeving te verkennen. Het is mijn eerste bezoek aan de amerikaanse westkust. Ik kom 's avonds laat in het hotel in Pasadena aan, neem nog een korte snack en duik in bed. Door het tijdsverschil ben ik de volgende morgen al vroeg op. Blijkbaar logeer ik in één van de weinige hoge gebouwen in het centrum van Pasadena. Terwijl de zon langzaam op komt, krijg ik een mooi zicht op de bergen die 'Smokey Valley' omringden. De indianen hadden het die naam gegeven omdat, door de hoge bergen, de wolken en de mist vaak in de vallei bleven hangen. Tegenwoordig is het niet veel beter. Smokey Valley is nu bijna volledig ingenomen door Los Angeles en zijn voorsteden. Een vuile gele fog blijft meestal in de vallei hangen, en is soms zo geconcentreerd dat je nog geen tien meter voor je voeten uit ziet. Smokey Valley is eigenlijk meer 'Smoggy Valley' geworden. De fog, het urenlang aanschuiven in files, de hoge bevolkingsdichtheid, de gejaagdheid van de Amerikaanse samenleving, de economisch achteruitgang in Californië,.. Ik zou er voor geen geld van de wereld willen leven. Maar die eerste morgen in het hotel, zeven verdiepingen hoog, is de hemel kristalhelder. De “Santa Anna”, een stevige wind die uit de woestijn richting zee waait, heeft 's nachts de fog weggeblazen. Omgeven door een oranje gloed komt de zon net boven de bergen uit piepen. Op de radio speelt zachte country muziek, die me nog meer in de 'Yeah, ik ben uit de dagelijkse sleur, ik ben vrij'-sfeer brengt. Het weerbericht geeft dertig graden. D-e-r-t-i-g graden. En dat terwijl ik een dag geleden in Brussel met een winterjas en een dikke trui vertrokken ben... Een uurtje later rij ik op Interstate 10 richting Rancho Cucamonga, één van de residentiële buitenwijken van Los Angeles, waar Jay, de expeditieleider, woont. Via de zender die ik in de huurwagen heb geïnstalleerd, loodst Jay me tot bij zijn huis. Jay woont in een typische Californische villa-wijk. De huizen zijn laag gebouwd, met zachte roze, gele en beige tinten, licht aflopende daken, en bepleisterde muren. Het lijkt wat op de Zuid-Franse bouwstijl. Allen hebben ze ruimte zat: verschillende slaapkamers, twee of drie badkamers, grote keuken, grote garage... En toch is Jay's 'buro' maar een hoekje van de garage, met een schraag en een paar planken, vol met paperassen. En zo maken we kennis: Jay, in shorts, op blote voeten en met bloot bovenlijf, aan het werken in de garage. Met de poort wijd open, is het alsof hij bijna op het trottoir zat. Met een driftige pas komt hij naar me toe, en keurt me... "Wat een jonkie zijt ge nog", lacht hij. Hij heeft donkere randen rond de ogen net als iemand die veel uren per dag werkt. Hij geeft een stevige hand. "Bah, je moet toch wat jong volk tussen al die ouwe rakkers in je groep hebben he?!", grap ik terug, "wie anders gaat er ginder de boel draaiende houden?" Jay grinnikt. "Yeah, rrrrright" We hebben voorheen regelmatig kontakt gehad, via radio of telefoon. Zoals altijd ga je je dan een beeld vormen van de persoon aan de andere kant, een beeld dat niet altijd strookt met de werkelijkheid. Jay gelijkt, qua uiterlijk althans, een beetje op een oudere uitgave van Chevy Chase, de Amerikaanse komiek. Zijn karakter is 'sharp', zoals de Amerikanen dat zo mooi heten: 'scherp', intelligent, aktief en opmerkzaam. Anderzijds is het een geboren cynische komiek. Alhoewel we vijf dagen later naar Clipperton vertrekken, kun je dat ten huize Jay niet merken. Midge, zijn vrouw, is op weekend naar Las Vegas. Zijn dochter en zijn zoon zijn op kamp. Jay houdt zich bezig met het onderhoud van zijn wagen, hangt uren aan de telefoon, neemt me mee op zoektocht naar één of ander blijkbaar onvindbaar auto-onderdeel, etc... Het is alsof hij Clipperton ziet als een alledaags zakenreisje van een paar dagen, niets om je van vooraf druk over te maken. Wel vertelt Jay, van onder de motorkap, over zijn vorige expeditie, in de jaren '70. Toen charterde hij een vliegtuigje naar Palmyra, om van daar uit naar Kingman Reef te varen. Bij de landing op Palmyra raakte een vleugel de grond, draaide het vliegtuig zich 90° om en kwam in de palmbomen terecht. Twee expeditieleden werden met gekneusde ribben en gekwetste nekwervels per helicopter naar Hawaii geëvacueerd. De overige expeditieleden gingen verder naar Kingman Reef, een miniscuul schelpenrif in de Stille Zuidzee. Daar sneed iemand tijdens een val zijn pols door. Opnieuw een oproep naar de kustwacht.. Tijdens het wachten op de helicopter van de reddingsdienst kregen twee andere expeditieleden slaande ruzie, zo dat Jay genoodzaakt was om alles in te pakken en met dezelfde helicopter terug te keren. Eens terug thuis bleek de piloot van hun gecrashte vliegtuig, zonder verzekering te vliegen en had hij het vliegtuig onder de neus van zijn werkgever door 'eventjes voor een weekend geleend', om voor eigen rekening te vliegen. Eén van de expeditieleden bleef voor een langere tijd werkonbekwaam. Er kon geen vergoeding van de verzekeringsmaatschappij gevraagd worden - er was geen verzekering -. Volgens aloude Amerikaanse traditie zocht de advocaat van het gekwetst expeditielid dan maar naar een ander slachtoffer. En het werd de expeditieleider, Jay. Een jarenlange rechtszaak had Jay alle lust voor andere avonturen ontnomen, maar met de Clipperton expeditie nam hij de draad weer op. "Het verschil is", kreunt Jay nog steeds van onder de motorkap, terwijl hij duidelijk problemen heeft om een of ander onderdeel los te krijgen, "Het verschil is dat ik deze keer geen elke verantwoordelijkheid neem. Ik heb de expeditie met twee andere mensen in elkaar gestoken, maar eens we op de boot stappen, is er geen expeditieleider meer. Jullie vechten het maar uit. Aaaaah ik heb hem!". En hij toont me trots de bout die hij eindelijk los kreeg. Tegen de avond komen drie ander expeditieleden langs: Pete, Charlie en John. Pete, de jongste van het team, is een hoofd groter als ik, en gemakkelijk tweemaal zo zwaar. Hij is een doctor in de biologie en heeft pas een carriere als F15-piloot achter de rug. Het lachen gaat hem gemakkelijk af. Hij neemt vaak een uitdagende en lompe houding aan. Maar als je het spelletje mee speelt, vind je onder de harde schil een sympathieke vriend die altijd klaar staat om je te helpen. Charlie is een stille gast. In het eerste half uur zegt hij niks, en in het half uur erna komt er twee maal 'Hum', en één maal 'Yeah' uit. Hierbij vertrekt hij geen spier van zijn gezicht. John is een verlegen type. Hij is, zoals hij zei "Net van het juk van zijn vrouw verlost" en heeft de vrijheid teruggevonden. De vrijheid, waar hij blijkbaar met volle teugen van geniet. Hij is een vriendelijk man. Geen van allen geven ze de indruk op het punt te staan op expeditie te vertrekken. Er wordt bijna niet over Clipperton gesproken. "Ofwel doet het hen ook niks", denk ik 's avonds in de wagen, op de weg naar het hotel, "ofwel kunnen ze hun gevoelens goed wegsteken". Terwijl ik zit te dagdromen, rij ik hopeloos verloren en kom pas twee uur later in het hotel aan... 26 februari 1992 Jay vraagt me om Arie, de nederlander in ons team, af te halen op LAX, de internationale luchthaven. Zoals het met mij en vliegtuigen altijd gaat, kom ik net ietsje te laat toe in de aankomsthal. Met een groot bord "FO0CI", onze radio-amateur roepnaam voor Clipperton, loop ik rond. Elke internationale aankomsthal heeft iets exotisch, vind ik. Mensen komen toe vanuit alle hoeken van de wereld. De ene al ietsje frisser als de andere. Sommige duidelijk met tegenzin, anderen vliegen wenend van ontroering rond de hals van hun vrouw of spoeden zich in de richting van de taxis. Maar Arie bespeur ik nergens. Jay had me een foto getoond. Ik kijk uit naar iemand met een ernstig gezicht, ietsje kalend, met een metalen bril. Na twee uur sta ik er nog altijd met mijn bordje. Uiteindelijk zie ik hem door de deuren komen. Hij gaat pal voor me staan, en kijkt met nieuwsgierigheid alle andere bordjes af, maar mij ziet hij niet. "Arie?!", zeg ik, maar hij hoort me niet. "ARIE!?" "Oh hello", zegt Arie, "I did not see you". Hij denkt duidelijk dat ik een van de Amerikanen ben, en komt me een hand geven, met een blik van 'nu moet je me maar eens zeggen wie jij bent". "Oh Arie, doe eens gewoon en spreek maar Nederlands net zoals alle anderen", lach ik, "Goeiedag, ik ben Peter, ON6TT". Arie lacht. Hij heeft helemaal geen ernstig gezicht, zoals op de foto. Arie en ik brengen tesamen een dag door in de bergen rond LA, en rijden 's avonds naar Jay. Daar zijn intussen ook de andere expeditieleden toegekomen. Ron, de oudste van de groep, met grijs krulhaar en dito baard, geeft een ietwat gedwongen vrolijke indruk. Hij is de laatste operator die de groep vervoegd heeft. Mike komt uit Indianapolis, en is een watervloed van woorden. Eens hij begint te praten kun je er nog moeilijk een speld tussen steken. En daar is Vincent, onze fransman die in Engeland woont. Zonder bagage. Vincent is een stille man, een wat in zichzelf gekeerde dromer. Als hobby loopt hij marathons. Dan moet je wel wat een dromer zijn, denk ik. Wat moet je anders die lange uren doen terwijl je marathons loopt? Het wordt een drukte van jewelste. Iedereen is zijn bagage aan het inpakken of aan het verpakken. Jay loopt rond met zijn mond in een "teutje" getrokken. Een teken dat hij geconcentreerd is. Hij loopt iets te zoeken. "Waar is mijn zak met shorts en T-shirts nou gebleven?", zucht hij. Pete en John komen ook toe, en daardoor verviervoudigd het lawaainiveau. Vincent zit stilletjes, met een glimlach op de lippen, op een stoel met zijn draagbare zender te spelen. Zijn bagage is nog steeds niet toegekomen. Anderen zouden al zenuwachtig aan de telefoon hangen, maar Vincent zegt: "Ah, British Airways heeft gezegd dat mijn koffers met het volgende vliegtuig zullen toekomen, ze brengen ze later op de avond wel..." En inderdaad, om drie uur in de nacht komen ze aan. 28 februari 1992 - de dag van de waarheid. 's Morgens vroeg komen een paar bestelwagens en pickups voor rijden. Het meeste expeditiemateriaal is de vorige week al in de boot geladen, dus rest ons enkel nog ons persoonlijk materiaal te vervoeren. De Amerikanen die een paar dagen voorheen nog duidelijk ver af stonden van Clipperton, kakelen nu als kippen en lopen zenuwachtig heen en weer. Charlie deelt de expeditie T-shirts en petjes uit. Pete heeft de waarschuwing van Alain ernstig genomen. "Neem wapens mee, voor als je kapers tegen het lijf loopt", had Alain gezegd En Pete laadt 3 shotguns in. En een paar dozen kleiduiven. "Dan kunnen we ons op de boot nog wat amuzeren", lacht Pete. Met de afhangende randen van zijn snorretje lijkt hij een beetje op een walrus, of op een oude Noorman, vind ik. De rit naar San Diego, waar onze boot ligt, duurt een paar uur, en ik zit naast Mike, die de hele rit rustig door babbelt zonder dat iemand er een woord tussen krijgt. In San Diego slalomt het konvooi, straatje in, straatje uit, naar de marina-haven. Jay stapt uit. Met een teutmondje. Ik hoop voor hem dat hij zijn doos met shorts heeft gevonden. "Parking door, hoekje om en trap af", zegt Charly, in die richting wijzend. En daar ligt ze: onze boot. 'The Spirit of Adventure", staat er trots op het achtersteven geschilderd, 'de geest van het avontuur'. Het is een sportsvissersboot van 8m bij 30m, met een kapaciteit van 30 passagiers. Ze lijkt heel wat groter als op de foto's. De bemanning is bezig nog wat voedsel in de grote diepvriezers, normaal bedoeld om vis in te bewaren, op te slaan. We laden onze bagage uit de wagens en sleuren alles tot bij de Spirit. Iedereen stapt aan boord en duikt benedendeks. Er is ruimte zat. Met onze tien expeditieleden kunnen we elk onze eigen kajuit nemen, en dan zijn er nog enkele over. Normaal krijgt de Spirit drie keer zoveel passagiers aan boord. In de vrije kajuiten is het meeste expeditiemateriaal reeds opgeslagen. "All aboard!" Tijd om te vertrekken. De vrouwen die ons tot San Diego hebben gevoerd, stappen van het schip, en werpen enkele handen vol rijst en confetti. Pete zingt luidkeels het thema van 'Loveboat'. De trossen worden gelost en zachtjes vaart de 'Spirit' weg uit de aanlegsteiger. Eens in de hoofdvaargeul slaan de hoofdmotoren met hun 1000 pk bulderend aan. "Wwwoeps", schreeuwt Jay, en slaat de handen aan de oren. "Take me awayyyy!", roept Pete, "Take me awayyy, full speed ahead, skipper, dingding, dingding!" De vrouwen staan ons op de steiger na te zwaaien. "Wat hebben we gedaan, wat hebben we gedaan, te laat om nu nog terug te keren", roept Jay me in de oren. "Zijn we d'r al?", grapt Charly terwijl hij zijn hoofd door het deurgat steekt. "Oh wacht eens een ogenblik, ik ben thuis vergeten de gaskraan toe te draaien", zegt Ron. Een zeehond zwemt de boot achterna. "Euuk, euuuk", imiteert Pete, terwijl hij spastisch in zijn handen klapt. De kapitein, Mike, komt bij ons staan. "Een goed voorteken", zegt hij, en wijst naar de zeehond, "als een zeehond je begeleidt terwijl de boot uit de haven vaart, dan wordt het een veilige reis. Komen jullie mee naar binnen, dan kan ik je wat wegwijs maken." Capt'n Mike is de eigenaar van de 'Spirit'. Normaal vaart hij met sportsvissers tot bij Baha, het Mexicaans schiereiland. Zover als Clipperton is hij nooit geweest. "Maar de boot is zo zeewaardig als wat", voegt hij er aan toe. In een uur vertelt hij ons alles wat we moeten weten over de boot. Van zijn moderne automatische piloot, gekoppeld aan de satellietnavigatie, tot hoe er moet gedoucht worden. "Met de benen wijd open! Anders verongeluk je", zegt hij triomfantelijk. Kelly, de kokin, en enige vrouw aan boord, krijgt ook haar beurt om iets te vertellen. Ze komt met een pollepel in de hand uit de keuken, en met een schelle stem zegt ze: "Dat daar, dat zijn twee koffiepotten. De linkse is de oudste koffie, dus daar drink je eerst van. Is die leeg, dan maak je nieuwe en intussen drinkt iedereen van de rechtse pot. In de koelkast daaronder vind je altijd frisdrank. Lege blikjes in de linkse vuilbak, al de rest in de rechtse. Ontbijt is om 8:30, 's middags eten we om 12:30 en 's avonds om 17:30. Ben je er niet, dan krijg je niks." Ze zet de handen in de zij, en bekijkt onze groep landrotten. "Vragen?!" We kijken mekaar aan, onder de indruk van de dwingende toon waarmee ze haar betoog hield. Pete steekt overdreven aarzelend een vinger in de lucht. "Zijt ge vrij vanavond?", vraagt hij met een piepstemmetje. Kelly slaat in een lach, en gebaart Pete een dreun met haar pollepel te verkopen. "Gij, gij krijgt vanavond geen eten, gij, als je niet oppast", roept ze al lachend, en draait zich om, richting keuken. "Pas maar op, geen katje om zonder handschoenen aan te pakken", fluistert Capt'n Mike gemaakt. "Oh Baby, baby, take me in your arms", zingt Pete, die dat alles als een uitdaging neemt... Ook de andere bemanningsleden worden aan ons voorgesteld: Biff, Big Bill, Brian, Christian en Lee. Allemaal plaatjes van zeelui die regelmatig als crew op de ‘Spirit’ werken. We installeren met zijn allen een paar antennes op het achtersteven, en zetten de zenders op één van de tafels in een zithoek. Het valt me op hoe groot de 'galley', de eetruimte eigenlijk wel is, er kunnen wel dertig mensen in. Jay sluit de zender aan, en geeft een oproep:"CQ CQ this is November Seven Quebec Quebec maritime mobile Region 2, aboard the Spirit of Adventure, on the way to Clipperton, QRZ?" Meteen komen een massa radioamateurs op de oproep af. Eén voor één krijgen die een signaalsterkte rapport en worden ze in ons logboek geschreven. Het nieuws dat we vanop de boot in de ether zijn, verspreidt zich blijkbaar vliegensvlug en al gauw roepen tientallen amateurs ons terzelvertijd op. Een 'pile-up' heet dit in amateur-termen. In een radio-amateur tijdschrift verscheen een paar dagen geleden een artikel over onze expeditie, met als titel 'Clipperton, het eiland van de tegenslag'. Het gaf een uitvoerige beschrijving van de problemen waarmee die de vorige expedities te kampen hadden. We schertsen onder mekaar dat elke radio-amateur die we vanop de boot kontakteren, er dank zij dit artikel van overtuigd is dat we een wisse dood of tenminste een erg onzekere toekomst tegemoet gaan. En inderdaad wensen ze ons allemaal een 'Erg Erg Erg veilige reis toe'. Ha! Toch voelen we allemaal de spanning en de hoge verwachtingen van de amateur-wereld over onze expeditie. 29 februari 1992. 8h30 "Breakfast readddyyy!" klinkt het. Het is alsof er iemand naast mij staat met een megafoon. Acht uur dertig in de morgen. Ik strompel uit bed. "Kelly, kun je me niet wat zachter wakker maken?", smeek ik haar. "Wat wil je, dat ik je zachtjes over de wangetje streel, en je kom smeken te ontbijten?!, lacht Kelly, "Ge zijt hier niet thuis hoor!" Mijn zeeziektetabletten hebben blijkbaar mijn maag op de juiste plaats gehouden, maar arme Pete heeft een groene kleur, en zit als een verzopen ratje op het achtersteven. Af en toe houdt hij het hoofd over de reling. "Man, man, hier zit ik dan, terwijl ik 's werelds vlugste jachtvliegtuigen gevlogen heb, word ik ziek op een miezerig bootje". En hij strompelt terug naar de reling. Ik heb medelijden met hem. Alhoewel de zee betrekkelijk kalm is, halen sommige anderen ook hun neus op voor een mogelijk ontbijt. Met de hand op de maag zitten ze wat voor zich uit te staren. John komt eventjes naar boven, slaat de pannekoeken die Kelly als ontbijt heeft klaar gemaakt naar binnen, en vlucht dan weer benedendeks. In de kajuiten beneden is de deining ietsje minder. Mike heeft duidelijk van niks last, en bemant de zender. De pile-up houdt blijkbaar aan, en tijdens de morgen hebben we propagatie-openingen naar Europa. Ook de Europese radioamateurs zijn blijkbaar geïnteresseerd in onze vorderingen. Ik ga een douche nemen. Dat blijkt op het rollend schip inderdaad geen sinecure te zijn. Terwijl ik mijn haar met de ene hand inzeep, zoek ik steun met de andere hand. Mijn shampoo vliegt uit het zeepbakje. Als ik me vooroverbuig om met half gesloten ogen het flesje te zoeken, voel ik mijn maag protesteren. Als voorgerecht bij het avondeten krijgen we sla met 'blue cheese' saus en gebakken korstjes. Dat doet me de das om en ik verdwijn in het toilet. Het zal nog maanden duren tot ik weer sla kan eten zonder een raar knijpend gevoel in de maag te krijgen. Ik duik in bed, neem een zeeziektepilletje en probeer te slapen. De kajuiten benedendeks hebben geen ramen. Je verliest er elke notie van dag en nacht. Als ik op een bepaald moment geradbraakt wakker word, en aan dek klauter, verbaast het me dat het al ochtend is. Vanop het achterdek hoor ik het geluid van korte harde slagen, alsof iemand met een staaf op een ijzeren plaat klopt. Ik heb dat geluid in mijn slaap ook gehoord. Ik kijk uit het raam, en zie hoe Pete met een riot-gun aan het kleiduifschieten is. John staat op het bovenste dek en met een soort handkatapult lanceert hij de kleischijfjes in de lucht, die Pete vakkundig neerhaalt. Blijkbaar is Pete zijn zeeziekte eventjes vergeten. Mijn maag voelt leeg aan, maar ik voel me niet meer misselijk. Toch durf ik nog niet naar het eten te kijken. Ik zet me voor de zender en spreek met wat Europeanen. Af en toe komt er ook een bekende goeiendag zeggen. De manier waarop de radiogolven zich in de atmosfeer voortplanten is sterk afhankelijk van de zonneactiviteit. Als de signalen van verre stations sterk zijn, dan heten we dat 'goede propagatie' of 'goede condities'. En deze morgen zijn de condities goed! De Europeanen rollen zowat binnen, sommigen hebben zo'n sterk signaal dat de kwaliteit van de radioverbinding even goed of zelfs beter is als een doorsnee telefoonverbinding. Charly komt naast me zitten. De laatste dagen is hij wat 'los' gekomen en blijkt deze stille man over een voortreffelijke dosis droge humor te beschikken. Hij vraagt of hij eventjes de zender mag overnemen. Hij heeft een afspraak met een vriend-radioamateur in Californië voor een 'telefoonpatch' met zijn vrouw. Charly roept zijn vriend op, die blijkbaar op de afgesproken frequentie zat te wachten, en deze verbindt zijn zender door met zijn telefoontoestel en belt Charly's vrouw op. Op die manier kan Charly rechtstreeks met zijn vrouw praten. Telefoonpatches zijn in Europa niet toegestaan. Vanop het blaadje op de muur waar we de vorderingen van het schip bijhouden, leest Charly onze huidige positie af: "Nog 800 zeemijl te gaan, met onze kruissnelheid van 10 knopen zullen we dus nog een 80 uren te varen hebben", zucht hij. Op het schip valt niet veel te beleven, en de verveling wordt groot. Iedereen hangt wat doelloos rond op het achterdek. We kijken naar de vliegende vissen die, opgeschrikt door de boot, uit de golven opspringen en een paar meter verder weer in het water duiken. De bemanning van de boot legt een vislijn uit, een nylon koordje met een paar haken aan het einde, waar een paar fluorescente plastiek inktvisjes aan bengelen. Tot ons aller jolijt vangen ze echter bot. De bemanning speelt mee met onze grapjes. "Misschien moeten we er Pete aan hangen", lacht Big Bill, "hij zal na de zeereis toch niks meer waard zijn". Pete, die intussen een veldbed op het achtersteven heeft gesleurd, en met gesloten ogen zijn zeeziekte ondergaat, kijkt eventjes op, en zucht: "Oh man" Door de intercom luidspreker roept de kapitein: "Dolfijnen aan stuurboord, en walvissen in de verte". Van de walvissen zien we enkel wat fonteintjes en rimpels op het water, maar de dolfijnen daarentegen zorgen voor een waarachtig spektakel. Met honderden zwemmen en spelen ze in de verte. Het wateroppervlak ziet er zwart van. Naarmate we er dichterbij varen, komen meer en meer dolfijnen voor de boot zwemmen. We hangen met zijn allen over de boeg en sporen ze aan met luide kreten. Het is alsof de dolfijnen het spelletje meespelen en ze komen langszij, springen dartelend uit het water en wentelen zich rond hun as. Sommigen komen vlak voor de boeg uit zwemmen. Brian, de boordingenieur, legt uit dat de dolfijnen zo door de waterverplaatsing van de boot vooruitgeduwd worden. En daar maken ze een spelletje van. 's Nachts zien we lichtende vlekjes in het donkere water, veroorzaakt door een chemische reactie in het plankton. Als er dan dolfijnen voor de Spirit uit komen zwemmen, wordt hun silhouet door het plankton fluorescerend afgetekend tegen een donkere achtergrond. Het lijkt op een scene die zo uit de film Cocoon is gegrepen: buitenaardse wezens die oplichtend rond onze boot zwemmen. De dagen gaan langzaam voorbij. Het enige lichtpuntje is dat, eens we de Kreeftskeerkring over varen, volgens aloude traditie de zwarten aan boord worden kaalgeschoren. Lee, de enige zwarte aan boord, heeft er blijkbaar zin in. Biff, speelt voor gelegenheidskapper en met een tondeuze tovert hij Lee's kroezelkop om in een Mister T- kapsel. Onder onze luide aanmoedigingen scheert hij alles af. Lee laat zich alles wel gevallen. De goede verstandhouding en de vriendelijke hulpvaardigheid van de bemanning is ons al eerder opgevallen. Stuk voor stuk zien ze er uit als echte zware zeebonken, maar hebben blijkbaar een hart van goud. Kelly brengt Lee als troost een stukje chocoladetaart dat net uit de oven komt. "Dat heb je nu wel verdiend", lacht ze, "en er is genoeg voor iedereen. Er is verse ijsthee ook!" "Ieeehaaa", roept Pete. Die voelt zich duidelijk een stuk beter. Zeebenen gekregen waarschijnlijk.. In de galley dringen Vincent, Arie en ik er bij Jay op aan om eens met het team tesamen te zitten en de landing te bespreken. We moeten ook nog eens duidelijke afspraken maken wie wat gaat doen, en op welke manier we zullen 'opereren', de pile-up verwerken, eens op het eiland. Jay haalt zijn schouders op. Met een flits herinner ik me weer wat hij enkele dagen voorheen, toen nog veilig thuis, zei: "Eens op het schip neem ik geen verantwoordelijkheid meer." Vincent, Arie en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Dit voorspelt niet veel goeds... Maar Jay trekt zich van onze vragen niet veel aan. Ook Charly gebaart van krommenaas. Ron, onze ouderdomsdeken, komt bovendeks, en mengt zich in de discussie. Hij geeft ons gelijk, maar ook hij kan Jay niet van gedacht doen veranderen...  "We zullen dan maar zien", zucht Arie. Bronnen: Foto contrail: Patrick Taylor Andere foto's: Arie Nugteren (PA3DUU) Lees verder in hoofdstuk 5: Land in zicht    
QSL kaart van de eerste grote DX-peditie naar Clipperton Eiland
Achterkant van de FO0XF QSL. Mijn eerste QSO met Clipperton ooit First DXpedition of Jay, WA2FIJ,  was the 2nd operation to Kingman Reef (WA2FIJ/KH5K, 1980 and Palmyra, WA2FIJ/KH5). Onze boot