Geschreven door Peter Casier, ON6TT   FO0CI, 1992 CLIPPERTON ISLAND DXPEDITION. door ON6TT - Peter Waar begint en waar eindigt een DXpeditie? Met het eerste en het laatste QSO? Op het moment dat je de licentie ontvangt, en wanneer je de laatste QSLkaart schrijft? Ik weet wanneer het allemaal begon voor mij. 16 Januari 1992. 06h30 in de morgen. Ik ben geen 'morning person', en lig nog vast te slapen. In de verte hoor ik de telefoon rinkelen, en het antwoordapparaat neemt op. Ik hoor een aarzelende Amerikaanse stem een paar woorden zeggen. Ik tast in het donker naar de telefoon: - "Hhhello, this is Peter". - "Peter, this is Jay, WA2FIJ, wanna join us on the Clipperton DXpedition?" - "Euh Jay, hold on a second, let me wake up first" Langzaam beginnen mijn grijze cellen te werken. Eind 1991 las ik in een DX bulletin dat Jay nog operatoren zocht voor FO0CI. Ik had toen per brief mijn kandidatuur gesteld. Ongeveer een maand later, en veel veel telefoontjes, interviews met kranten, geld transacties, brieven, skeds met de groep, en schietgebedjes later, reed ik in California op Highway 10 van Pasadena naar Rancho Cucamonga, om mij bij de groep te voegen. Gedurende die week kwamen beetje bij beetje de DXpeditieleden tesamen. Donderdag 27 Februari was iedereen aangekomen bij Jay. Vooreerst hadden we de 'locals': Jay-WA2FIJ, Pete 'The King' - N0AFW, Charly - N7QQ, John - KC7CQQ, Ron - de oudste van de groep - WA6FGV en 'Natureboy' uit de Midwest N9NS - Mike. En de Europeanen (met of zonder bagage hi): Arie - Dutch Boy - PA3DUU, Vincent F1MBO/G0LMX en mijzelf (men gaf mij de bijnaam 'Crazy Peter'. Ik vraag me nog altijd af waarom hi). Vrijdag 28 februari was 'D'-day voor ons: met drie minibussen en een personen wagen reed de crew (met de 'zeeziekte' patches achter het oor) naar de haven van San Diego in het zuiden van California. Masten, zenders, tenten etc waren de week voordien al met een paar vrachtwagens naar San Diego vervoerd. In de haven lag 'onze' boot met de toepasselijke naam 'Spirit of Adventure'... De 'Spirit' is een 30m op 8 m sportvissersboot, aangedreven door 3 motoren van 350 pk. Ze heeft een 8 koppige bemanning: Captain Mike, Engineer Brian, Biff, 'Big' Jim, Richard, Kelly (de kok en enige vrouw aan boord), Lee 'Flipper' Washington en Mike 'Lemonhead'. De 'Spirit' biedt plaats aan 30 passagiers. Normaal wordt ze gecharterd door sportvissers of natuurfanaten, maar nu werd ze ten prooi gegooid aan 'crazy radio freaks' zoals Capt'n Mike ons noemde. De meeste kajuiten waren gevuld met ons radiomateriaal, en toebehoren. Boven op dek lagen de masten, antennes, onze 3 generatoren, en stonden grote vaten met 1400 liter benzine voor de generatoren. De boot had 4 zware aluminium sloepen, 2 grote rubberboten en vijf 25 pk buitenboord motoren meegenomen. Die zouden gebruikt worden voor de landing op het eiland. En weg zijn we. Capt'n Mike glimlachte toen hij zag dat een zeehond ons begeleidde uit de haven: 'A token of good luck', zei hij, 'This will be a save trip'. Eens buiten de haven stelde hij de automatische piloot in. Dit computersysteen is verbonden met het satelietnavigatie systeem, die Mike instelde op Rocca Partida, het westelijk gedeelte van XF0, Revilla Gigedo. Nadat iedereen zijn toerke rond de boot had gedaan, werd het buffet verorberd, en werden we door de kapitein 'gebrieft'. Hij legde ons de regels van het huis uit, toonde waar de douches en de toiletten waren, waar we altijd warme koffie (voor de lange nachten) konden vinden, en.. waar de reddingsvesten lagen. Jay en ik installeerden de Butternut vertical achteraan de boot, en met Arie hingen we een inverted vee op voor 6m. Beetje bij beetje zetten we de twee radiostations op: het HF station, bestaande uit een TS950, een 3 Kw Dentron amplifier, de logging computer en een RTTY machine. Op een andere tafel installeerde Arie het 6 meter station. En daar ging de eerste oproep op 20m: 'This is N7QQ/MM Region 2 on board of the 'Spirit of Adventure' on our way to Clipperton Island, QRZ'. Voor we het wisten zaten we in een pile-up, die nooit zou ophouden. De dagen verliepen langzaam. De zee was uitermate rustig tijdens de eerste dagen. Mike legde uit dat dit voornamelijk kwam omdat we slechts op een tiental kilometer uit de kust van Mexico voeren. Maar het bleef niet rustig. Tijdens de derde nacht waren we al in volle oceaan, en ging het nogal tekeer. Jay en ik hadden de 'night shift' en waren de pile-up aan het trotseren. Van tijd tot tijd moesten we de apparatuur vast houden om te beletten dat het van de tafel zou vallen. Rond twee uur 's nachts kwamen de eerste 'zeezieken' uit de kajuiten naar boven. Met een lijkbleek gezicht stormden ze een voor een de trap op en verdwenen voor een ettelijke tijd in de toiletten, of hingen overboord. Het lawaai van de scheepsmotoren overstemde de wansmakelijke geluiden... Dit waren moeilijke momenten. Regelmatig moesten we de uitzendingen even stoppen om eens 'goed te slikken'. Intussen hadden we geleerd dat 'Sprite' de beste drank was tegen zeeziekte. Liters Sprite heb ik toen gedronken. Zeven dagen na het afmeren in San Diego waren we op een tiental mijlen van Clipperton verwijderd. De spanning liep op. Vanop veertig mijl konden we op de radar al duidelijk de kontouren van het eiland zien. Iedereen tuurde de horizon af met de verrekijkers. 'I see the rock, I see the rock', klonk het vanuit de stuurhut. Inderdaad, daar was de rots, en de palmbomen. Algauw was de boot omringd door dolfijnen, het welkomcommittee van het eiland. Hier en daar zagen we ook de rugvin van de befaamde hamerhaaien. Een grote troep zeevogels vloog rond de boot. Het eiland werd goed zichtbaar. Een woest uitziende strook koraal, amper een paar meter boven de zee uitstekend, met her en der een paar palmbomen. We konden duidelijk zien hoe de wind het stof op het eiland opjoeg. Iedereen wist dat dit het moment was waarop het moest gebeuren: de landing. Elke expeditie had al problemen gehad tijdens de landing en het vertrek van het eiland. Clipperton is omringd door een gevaarlijk koraalrif. De golven, die intussen toch al een meter of drie-vier hoog waren, sloegen te pletter op het rif, en maakten elke landingspoging uitermate moeilijk. Dit was het moment waarop de bemanning en vooral de kapitein konden bewijzen uit welk hout ze gesneden waren. Captain Mike voer de 'Spirit' eerst rond het eiland, om de rustigste plaats te bepalen. Begeleid door de geavanceerde sonar installatie probeerde hij de structuur en de hoogte van het rif te bepalen. Hij besloot voor anker te gaan aan de zuid west kant van het eiland, tussen de rots en de 'Bougainville', het kleine bosje palmbomen waar eens Mexicanen woonden. Capt'n Mike zei: "It looks rough, but we'll give it a try". De bemanning liet 1 van de aluminium sloepen te water, en de kapitein ging een mogelijke landingsplaats van naderbij bekijken, nagetuurd door ons, amateurs, die ons langzamerhand gingen afvragen hoe we ooit door die hoge golven, de haaien en de koraal op het eiland zouden kunnen geraken. Na een half uur kwam de kapitein terug, en vroeg een rubberboot te water te laten. Hij nam ook een paar boeien mee. Hij zei dat hij een mogelijk gat in de koraal gevonden had, en zou proberen te landen. Dit was meteen een teken voor ons om al de apparatuur bovendeks te brengen. Intussen zagen we de twee sloepen langzaam naar de koraal varen, en plots waren ze verdwenen in de golven. Seconden later, maar voor ons leek het uren, zagen we de kapitein tevoorschijn komen aan de andere kant van het koraal. Hij was heelhuids door de branding geraakt. De rubberboot die voor de koraal was blijven liggen, deed ons teken dat de landing geslaagd was. Gejuich! Een half uur later kwam de kapitein terug en informeerde ons: 'Ik heb een gat in de branding gevonden, en die is met boeien aangeduid. We laten nog een paar sloepen te water, en we beginnen te landen voordat het te donker wordt, of voor het weer verslechterd". Toen ging alles heel vlug. Iedereen was in de weer bagage naar het dek te verslepen, sloepen werden in het water gelaten, motoren gemonteerd. De eerste boot nam 'The King', Pete-N0AFW, op wiens naam de FO0CI licentie en landingstoelating stond, en Vincent, de enige met Franse nationaliteit. Pete en Vincent namen voedsel, drank en een portabel mee. In geval dat het weer zou omslaan, zouden ze toch nog een paar dagen 'verder kunnen'. Een uur later stond ook ik aan wal. Tussen allerhande dozen, kisten, plastieken zakken, zette ik voet aan wal van het befaamde en beruchte eiland: Clipperton. Jay had de tranen in de ogen. 'This is heavy stuff man, heavy stuff. Ten years, we planned for this. Ten years...' Het was avond. De zon begon langzamerhand te zakken. Het was warm. Zeker meer als 30 graden. Een stevige bries koelde wat af. We klauterden het koraal op en stonden meteen tussen duizende zeevogels die ons benieuwd aankeken. Tussen de zeevogels zagen we oranje 'dingen' bewegen. De Clipperton krabben. Miljoenen krabben. Een paar honderden 'onderzochten' al onze bagage. Om 17h30 vertelde de kapitein ons via de radio dat verder landen onmogelijk was. Men kon niet meer door de branding. Hij gaf ons rendez-vous 'at sunrise tomorrow morning', en wenste ons goeienacht. 'Goeienacht'? Zeven operatoren waren reeds op het eiland. Slechts een klein deel van de apparatuur was al aan land. We besloten om het kamp op te slaan bij de 'Bougainville' palmbomen. Dat betekende dat we, om de nacht door te komen, een tent, eten en drank, de veldbedden en de fameuze 'crab fence', de 100m lange omheining die Jay had gemaakt om de krabben uit het kamp te houden, van de landingsplaats naar het kamp, 3 km verder moesten sleuren. Om 18h15 was het al nacht, en moesten we het meeste werk in het pikdonker doen. Alles werd opgezet, en tot iedereens jolijt hield de omheining de krabben inderdaad buiten. Maar wat doe je op een verlaten eiland, temidden van de krabben en de honderden vogels? Vroeg slapen. Enkel Arie was zo snugger geweest om zijn slaapzak naar het kamp mee te nemen. De anderen moesten op de harde veldbedden in de kleren die ze aanhadden (nat van het zeewater en het zweet) proberen te slapen. Ik werd om 20h wakker: een sigaretje en weer proberen te slapen, om 21h wakker, een sigaretje en weer proberen te slapen, enzovoorts. Om middernacht gaf ik het op, en ging buitenzitten. De adreline in Jay's bloed hield ook hem wakker, en we besloten om tesamen, met de zaklampen, naar de landingsplaats te gaan, om onze slaapzakken te zoeken. Door de bomen, bleek de korste weg. Toen we in het pikdonker de bomen naderden, hoorden we een pletsend geluid. We dachten dat het stortregende, en gingen verder, tot we elkaar bekeken in het licht van de zaklantaarns. We zagen vol van de vogelpoep. 'Oh shit' zei Jay terecht. Blijkbaar zaten de bomen vol vogels, en het pletsend geluid was de vogelpoep die in volle lagen naar beneden kwam. We liepen naar het strand. Een opgeschrikte 'Boody', een grote zeevogel, vloog tegen Jay aan, en geraakte verstrikt in zijn kleren. Paniek natuurlijk. Enfin, een anderhalf uur later hadden we onze slaapzakken naar het kamp gesleurd, en konden we eindelijk echt slapen. Om vijf uur werden we gewekt door het krijsen van de duizenden vogels rond het kamp. We trokken in groep naar de landingsplaats waar de 'Spirit' reeds voor anker lag. De batterijen van de portable waren leeg, en we konden geen verbinding leggen met de boot. Een uur later echter kwam de eerste sloep al aan land met frisse drank en warm eten. Toen begon de langste dag. Uren lang werd materiaal geland. We hadden een goeie 5 ton radio materiaal en tenten mee, daarbij kwamen nog de persoonlijke bagage, benzine, eten en drank. Een rubberboot en een aluminium sloep werden over de koraal gedragen en in de lagune gelegd. Alle materiaal werd over de koraal gesleurd, en verzameld aan de kant van de lagune. Alles werd dan over de lagune naar het kamp gevaren, en op zijn beurt weer naar het kamp gedragen. Vanaf 10 uur in de morgen was de temperatuur gestegen tot 50 graden Celcius. De hitte was ondraaglijk. Met vier man waren we op de landingsplaats gebleven, om bij de landing te helpen (in het water, uit het water, de koraal op, de koraal af, in de boot in de lagune, uit de boot..). Nergens was een beetje schaduw, en langzamerhand begonnen we uit te drogen. De zon brandde door onze kleren, en we voelden onze huid gloeien. Iemand vond een tube zonnecreme en wat lippenstift in 1 van de plastieken zakken, maar het was al te laat. Onze huid stond reeds roodgloeiend en onze lippen waren al gebarsten. Tegen de avond was alle materiaal naar het kamp verhuisd, en konden ook wij met de boot over de lagune naar het kamp. Daar ging het werk verder. De twee slaaptenten, en de twee shacktenten werden ondanks de harde wind opgezet. Mast per mast, antenne per antenne werden in mekaar geschroefd. Intussen waren Jay en Pete al pileup aan het draaien. De opwinding hield iedereen overeind. Nu kon je duidelijk voelen dat we 1 team vormden. Alles moest in coordinatie gebeuren: masten opspannen, coax uit rollen, piketten in de grond slaan. Het werd, voor ons Europeanen duidelijk dat de Amerikanen alles tot in de puntjes voorbereid hadden. Alles was voorzien. Kilometers coax, reeds vooraf in stukken gesneden en van pluggen voorzien, kilometers spankabels voor de antennes, tientallen elektrische verlengkabel, ladders, hamers, tientallen piketten, alles maar dan werkelijk alles was voorzien, tot ventilatoren, bureaulampen, batterijen en stekkerdozen toe. Vliegensvlug viel de nacht, en het was een wanorde van jewelste. Het kamp was ongeveer 300 m in doorsnede en lag bezaaid met allerhande materiaal. Het voornaamste was nu zoveel mogelijk stations zo snel mogelijk in de lucht te krijgen. Het duurde echter tot de volgende avond voor het kamp volledig georganiseerd was, en we een overzicht hadden hoe alles eruit zag: - 4 masten van 15 mtr, met daarop twee TH3/MK3 (3 el tribanders), een TH6 (zes element tribander) en een 3 el yagi voor de Warc banden. - een 6el yagi widespaced for 6m op een mast van 10m - een mastje van 3 meter met een 20 el yagi voor 70cm + 15 el yagi voor 2m die gebruikt werd voor het satelliet station - Een Butternut vertical (hoofdzakelijk gebruikt voor 80m/40m) die we in de lagune opgezet hadden - 2x inverted vee for 80/40m op 15m apex - sloopers for 80m/40m/160m Onze pogingen om een Aki Special te bouwen voor 160m zijn alle inspanningen ten spijt (Ik ben er zelfs een palmboom voor ingeklommen) mislukt. Als transceivers gebruiken we TS950-TS440-FT757-TS520-2xTentec-TS 120 +satellite en 6m trx. We hadden 4 HF amplifiers en een 6 meter amplifier. We draaiden op 3 generatoren van 5 Kw elk. Slechts twee stations bleven draaien die nacht. Iedereen was uitgeput. De volgende morgen werden we gewekt door wat op schoten geleek. En ja, Pete schoot fluitkogels af om de vogels van onze antennes te houden. (Ik herinner niet meer hoeveel keer we die WARC yagi naar beneden hebben gelaten om weer eens een element op zijn plaats te zetten) Voor het eerst sinds we op het eiland waren namen we de moeite om ons te wassen in de zee. Een flink ontbijt, en aan het werk. Ik begon op 10m die morgen, rond 7h30 lokale tijd, en pas 's avonds rond 18h00 hield ik mijn eerste break. Propagatie was fantastisch. Dit was een droom. Rap wat eten, en tesamen met Arie de laatste hand leggen aan het satelliet en 6 meter station. Een paar uur later was FO0CI ook op Oscar 13... Vanaf dat moment werkten we meer en meer in ploegen. Mijn dag zag er als volgt uit: Rond 6h30 stond ik op en verfriste me. Rond 8h kwam de crew van de boot aan land met vers eten, drank en benzine. Het ontbijt/lunch werd verorberd, en we werkten wat aan antennes of deden de 'maintenance' van de generatoren, ... Rond 10h stond de zon reeds op zijn hoogste punt en was het veel te warm om nog buiten te werken. Normaal begon ik dan op 10m, om dan later naar 15m af te zakken. Intussen werd er ook dagelijks een sked gewerkt met Mark, ON4WW en anderen van het thuisfront. Op dat moment legden we skeds vast voor bepaalde banden of modes. Rond 17h30 landde de crew van de boot met vers eten, koelijs, drank en een nieuwe lading benzine. Om 19h ging ik opnieuw aan de radio zitten, en werkte 10m verder af (Japan, Oceanie), 15m States, en tegen de Europese morgen zat ik op 20m Europa te werken. Na Europa kwamen States en Japan op 20m. Intussen was het 3h in de morgen, tijd om Charly te wekken, die koffie zette (ja we hadden een koffiezetapparaat op het eiland, wat een luxe!). Ik nam hier of daar nog een band over voor een uur, en om 4h ging ik slapen tot 6h-6h30... Ook de andere operatoren vonden zo langzamerhand een routine. Jay, Mike, Vincent en Ron werkten meestal tijdens de dag op de HF banden. John zat de ganse dag 'in zijn hoekje' de WARC banden te werken. Arie was continue op 6 mtr te vinden, en 's avonds werkte hij de satelliet 'droog'. Pete en Charly werkten vooral 40, 80 en 160m 's nachts. Enkele dagen werkte Jay RTTY, tot hij zei 'Oh F.. I'm diddled out, give me a key'. Vooral 's avonds was het druk, en waren we met 7 stations simultaan in de lucht: 5 HF stations, satelliet en 6m. Het was hard werken voor een crew van slechts 9 operatoren. Pete, die tevens een bioloog was deed tesamen met Mike, een parttime geoloog, de biologische experimenten: een weerstation werd opgezet om kontinue windrichting, temperatuur, vochtigheid etc.. te registreren. Tesamen telden ze de vogel- en krab populatie en namen lucht-, bodem- en waterstalen. De dagen gingen voorbij. De pile-ups bleven aanhouden. Vaak was het hard werken om toch maar de QSO-rate hoog te houden. Vooral de Europeanen en de Japanezen gaven problemen door het gebrek aan discipline. Soms was er tussen de operatoren een komische discussie wie nu de Japanezen moest werken. Er werd veel gelachen, en de 'spirit' zat er in. In de weinige dode momenten deden we kleine wandelingen over het eiland, of werd er wat gepraat. Pete had zijn portabele CD-speler (een 'ghetto blaster') meegenomen. Waarschijnlijk was het voor het eerst dat er Rock and Roll over het eiland klonk (en jullie vroegen je af wat dat lawaai in de achtergrond was?!). Tweemaal per dag kwam de crew aan land met verse warme maaltijden, drank, koelijs en benzine. Slechts eenmaal was de zee te ruw, en kon de crew niet meer van het eiland. Toen kapseisde bijna 1 van de sloepen, en werden Capt'n Mike en Lee in het water geworpen. Biff kon zich nog aan de boot vasthouden, en kon de boot terug aan wal brengen. Lee werd door zijn rubberen visserspak onder water getrokken, maar kon zich van zijn kleren ontdoen, en werd poedelnaakt opgepikt door de reddingssloep die bij dergelijke manoevers altijd net buiten de koraal bleef liggen. Mike, die in de koraal terechtgekomen was, kon aan land zwemmen. Gezien de ruwe zee en de haaien die altijd buiten de koraal zwommen, is het een mirakel dat dit incident geen ernstiger gevolgen had. Die nacht bleven Biff en Mike op het eiland overnachten. De volgende dag konden ze wel van het eiland vertrekken, maar niet meer landen. Geen eten noch drank dus voor die dag. Voor noodgevallen hadden we echter drinkwater, aangemaakt door de ontziltingsmachine aan boord de 'Spirit', en noodrantsoenen, bestaande uit koekjes en cornflakes. Langzamerhand 'voelden' we dat we over de 40,000 QSOs konden geraken, en dat vuurde de gemoederen nog meer aan. Tijdens de dag draaiden we bijna altijd met 5 stations tergelijkertijd. Het gaf een speciaal gevoel, als je dan buiten de tenten iets zit te drinken, en je hoort de stem van Pete die States op 15 meter aan het werken is, Vincent die rustig CW op de WARC banden draaide, Charly die Europa op 10m aan het trotseren was, Arie die de satelliet in toom hield, en arme Ron die ergens weer eens op de Japanezen aan het vloeken was... Zaterdag 14 maart vertelde Capt'n Mike ons over de radio dat er slecht weer kwam opzetten en we ons kamp langzamerhand moesten afbreken. Afbreken ging gelukkig rapper als opzetten, en de bemanning van de boot transporteerde al een gedeelte van het materiaal naar de boot. We hielden nog 3 stations in de lucht. Zondagmorgen 15 maart kregen we om 6h een oproep via VHF van de 'Spirit' om te vragen waar onze landingspapieren en zendlicentie lagen. Blijkbaar was 's nachts een Frans oorlogsschip bij Clipperton aangekomen, en was men niet erg opgezet met onze aanwezigheid. De papieren waren in orde, maar de Fransen wilden ons ook op het eiland kontroleren. Met een paar rubberboten landden ze op 'onze' landingsplaats, en voor iemand er erg in had (iedereen was druk bezig met de afbraak van het kamp), was het kamp omsingeld door militairen, het machinegeweer in aanslag. Vincent, de Fransman en ik legden uit wie we waren, en wat we op het eiland kwamen doen. De mariniers waren vlug gerustgesteld, en wat eerst een ondervraging was, werd uiteindelijk een hartelijk gesprek dat uitmondde in een demonstratie van onze apparatuur. Speciaal voor hen hebben we dan 'live' een paar verbindingen gemaakt. Op hun verzoek (hi) hebben we ook op 10m met een Frans station gepraat. Onder de indruk van onze exploten, gaven ze ons ter afscheid een paar flessen echte Franse wijn. Nadien hebben we van Capt'n Mike gehoord dat de Franse Marine blijkbaar meer problemen had als wij, om van het eiland te geraken. Het moet een plezant gezicht zijn om de crew van de 'Spirit' de Franse Marine van het eiland te zien helpen hihi. Uiteindelijk werd ook het laatste station afgebroken en konden we 'onze' kampplaats voor de laatste maal groeten. Ook zeiden we goeiedag aan dat ene 'boody'-kuiken dat net naast de kampplaats zat, toen we toekwamen, en daar nog altijd zat toen we vertrokken. HIHI. Iedereen was intussen verzameld op de landingsplaats, waar bleek dat we voor de volgende uren niet meer van het eiland konden, omdat het laag tij was, en de sloepen onmogelijk nog door de koraal konden. Op de weerfaxinstallatie op de boot had men ook duidelijk een zware storm zien opduiken. Nu maar hopen dat we op tijd van het eiland konden geraken... Maar iedereen was opgeruimd. De QSO's waren geteld, en het bleek dat we meer als 45,000 kontakten hadden. Ik steek niet weg dat er nog een ander feit de gemoederen zo opbeurdde: omdat iedereen volop het materiaal verhuisd had, werd er veel gedronken. Intussen was de voorraad limonade op, en moesten we wel, om niet uit te drogen, bier drinken. Het was intussen middag geworden, en de hitte was onverdragelijk, zodoende dat het bier in ruime hoeveelheden geconsumeerd werd. Met alle gevolgen van dien. Groot was dan het jolijt toen de bemanning 'om ons te troosten', een grote pot spaghetti bracht. Het was ook een absurd zicht: zie ons daar zitten, op een verlaten eiland, tussen dozen, zakken en kisten, in de volle zon (weer eens 50 graden), half nuchter, half tipsy, met in de ene hand een blikje bier, en in de andere hand een bord spaghetti hihi. Een paar uur later was iedereen aan boord van de 'Spirit' en werden de douches bestormd. Voor het eerst in anderhalve week konden we ons wassen en scheren met koel zoet water. Wat een luxe! Capt'n Mike vertelde ons dat de storm ons inderdaad ging teisteren en raadde iedereen aan om een goede maaltijd te verorberen en daarna te gaan slapen. Slapen? De helft van de vermoeide expeditieleden zijn 's nachts door het heen en weer slaan van de boot uit bed gevallen, en al gauw zat iedereen weer boven dek zeeziek te wezen. Ik herinner me nog weinig van de terugreis. Ik sliep, at, sliep, at, en sliep. Mike en Vincent hebben die tijd echter nuttig gebruikt om een schatting te maken van de 'eindresultaten': 48,000 QSOs als FO0CI, en 6000 QSOs als N7QQ/MM2. Niet mis. Drie dagen later kwamen we aan in Cabo San Luca, het zuiderse tipje van Baha, Mexico. Daar werd iedereen door de douane gelootst, en namen we afscheid van de crew van de 'Spirit' die de 'crazy radio freaks' 3 weken lang gediend had, en zo voor een groot stuk voor het succes van de DXpeditie verantwoordelijk was. "Capt'n Mike, Lemmonhead, Flipper, Biff, Big Jim, Lovely Kelly, Richard and Brian, it was a pleasure working with you guys! You did a terrific job." Geen enkele andere expeditie naar Clipperton was zo vlot verlopen, en dat was dank zij jullie! De crew lichtte anker en voer verder, met alle amateurmateriaal nog aan boord, naar San Diego. Ook John bleef op de boot, hij wou op de terugweg nog wat vissen. Wij namen in Cabo het vliegtuig naar Los Angeles, en daar ging de groep uiteen. Mike nam het vliegtuig naar Indiana en Vincent bleef op het vliegveld wachten op zijn vlucht naar Engeland. Tesamen met Pete, Jay, Arie, Ron en Charly huurden we een wagen en volgestouwd reden we door de LA-file naar het huis van Jay. Arie en ik bleven nog een dag bij Jay, om wat op adem te komen, en op 21 maart namen ook wij het vliegtuig naar huis. Op Zaventem wachtte niet enkel Tine, de YL, maar ook een troep amateurs me op. Wat een verrassing: een welkomcommitte op Zaventem, inclusief een spandoen: "En... ON6TT, hoeveel krabben heb je mee??? Welcome home, Peter". Bedankt, Tine, ON4WW, ON4UN, ON5NT, ON6HE, ON7UN, ON7LX, ON4AMI en ON6BY! Dat was fijn... De eerste vraag die gesteld werd was: "And... 'where do we go next'?" Ah een mens mag toch ook zijn geheimpjes hebben zeker?! De groep is al volop aan het werken voor een exploot in 1993. Het enige dat ik kan verklappen, is dat het waarschijnlijk weer een eiland zal zijn in de Pacific, in de worldwide top 10 most wanted. Hopelijk ben ik tegen dan vergeten wat zeeziekte betekent. Dat was het einde van de FO0CI 1992 DXpeditie. Of net niet? Wanneer begint en wanneer eindigt het? Ik draag nog altijd de herinneringen met me mee. De herinneringen aan een verlaten eiland met zijn vogels, zijn krabben, met zijn hitte en zijn stormen, aan de vele uren pileup draaien. Maar vooral ook de herinnering aan elk lid van de DXpeditie, en de vele, vele leuke en spannende momenten die we deelden. Only memories is what is left! Met dank aan Tine. Dank zij haar support heb ik dit kunnen meemaken. ON6TT - Peter.  
QSL kaart van de eerste grote DX-peditie naar Clipperton Eiland QSL kaart van de tweede grote DX-peditie naar Clipperton Eiland. FO0CI